Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog zoo sterk uitgesproken, dat God alleen wederbaart en bekeert, bet bangt tocb van bet al of niet weerstaan des menscben af, of God dat doen zal; de menscb beeft de beslissing in banden, hij kan door te weerstaan beel bet werk van den Yader, den Zoon en den Geest te niet doen; en bij houdt die beslissing in banden tot zijn dood toe. Nog nader ligt bet zwaartepunt bij de heilsorde in geloof en recbtvaardigmaking. Roeping, berouw, wedergeboorte dragen n.1. slecbts een voorbereidend karakter; zij zijn eigenlijk nog geene weldaden van bet genadeverbond, zij gaan als bet ware nog buiten Christus om, en dienen, om den zondaar naar Christus been te leiden. Eerst als de menscb gelooft en door dat geloof de gerechtigheid van Christus aanneemt, ziet God hem in Christus aan, vergeeft hem de zonden, maakt hem vrij van de wet, neemt hem aan tot zijn kind, lijft hem in in de gemeenschap met Christus enz. Op het geloof, en wel bepaald op de daad des geloofs, komt alles aan. Oefent de menscb deze, dan heeft hij alles en alles in eens, vrede, troost, leven, zaligheid ; maar laat hij deze na, dan wordt alles wankel, onvast, verliesbaar. Zoo is er alles op gericht, om dat geloof te behouden, maar gelijk de Luthersche geloovige bet werk der genade niet uit de eeuwige verkiezing en bet verbond laat opkomen, zoo zet bij bet ook niet met natuur en wereld en menscbheid in verband; hij is zalig in zijn geloof, maar laat dit niet inwerken op gezin en school, maatschappij en staat. Het is hem genoeg, met Christus in gemeenschap te leven, doch hij voelt geen drang, om onder Christus als koning te strijden 1).

419. Bij alle overeenstemming droeg de heilsorde in de Gereformeerde theologie toch van huis uit een geheel ander karakter. Wel behandelt Calvijn rechtvaardigmaking en verkiezing 2), na geloof, wedergeboorte, bekeering, Christelijk leven, maar hij wil daarmede geenszins te kennen geven, dat zij dan eerst objectief ontstaan. De grondgedachte, waarvan Calvijn uitgaat, is een geheel andere ; de verkiezing is een eeuwig besluit, al wordt de mensch eerst door het geloof van haar bewust, en de vergeving der zonden rust alleen in Christus, al wordt zij ons eerst geschonken in bet

\ erg. vooral Schneckenburger, Yergl. Darst. d. luth. u. ref. Lehrbegriiïs, 2 Th. 1855 passim.

-) Calvijn, Instit. III 12—18 over de rechtvaardigmaking, 21—24 over de verkiezing.

Geref. Dogmaüek III. gg

Sluiten