Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloof. Immers keert bij Calvijn telkens de gedachte terug, dat er geene gemeenschap is aan de weldaden van Christus dan door gemeenschap aan zijn persoon x). Hierin ligt in beginsel al het verschil opgesloten, dat in de heilsorde tusschen Gereformeerden en Lutherschen bestaat2). Indien het toch waar is, dat de allereerste weldaad der genade reeds de gemeenschap aan den persoon van Christus onderstelt, dan gaat de toerekening en schenking van Christus aan de gemeente aan alles vooraf. En dit is ook de Gereformeerde leer. Reeds in de eeuwigheid, in de verkiezing, en nader nog in het pactum salutis, is er een band gelegd tusschen den middelaar en degenen, die Hem gegeven zijn van den Vader. Toen reeds is er in het besluit Gods eene unio mystica tusschen beiden gesloten en eene plaatsverwisseling tot stand gekomen. Krachtens dat verbond is Christus mensch geworden en heeft Hij voor zijn volk de zaligheid verworven; Hij kon dat doen, juist omdat Hij reeds met hen in gemeenschap stond, hun borg en middelaar, hun hoofd en plaatsvanger was ; en de gansche gemeente, in Hem als haar hoofd begrepen, is objectief met Hem gekruisigd en gestorven, opgestaan en verheerlijkt. Alle weldaden der genade liggen dus in den persoon van Christus voor de gemeente gereed; alles is volbracht; God is verzoend; er komt niets van den mensch bij. Verzoening, vergeving, rechtvaardigmaking, unio mystica, heiligmaking, heerlijkmaking enz., zij komen niet tot stand na en door het geloof, maar in objectieven, actieven zin zijn zij in Christus aanwezig; zij zijn vruchten van zij 11 lijden en sterven alleen , en onzerzijds worden zij aangenomen door het geloof. God schenkt ze en rekent ze aan de gemeente toe in het besluit der verkiezing, in de opstanding van Christus, in de roeping door het Evangelie 3). Op Gods tijd komen zij ook subjectief in het bezit der geloovigen. Want al is het, dat de mensch niets aan het werk van Christus heeft toe te voegen, Christus zelf heeft het Hem opgedragen werk met de verwerving der zaligheid nog volstrekt niet voltooid. Hij heeft op zich genomen, om zijn volk werkelijk en ten volle zalig

1) Calvijn, Inst. III 1, 1. 3. 2. 24. 3, 9. 11, 10 enz.

2) Verg. Heppe, Dogrn. d. d. Prot. II 311—316. Schneckenburger, Vergl. Darst. I 195 II 22. Philippi, Kirchl. Gl. V 115.

3) Dominus, duin nos vocat, justifïcat, glorificat, nihil aliud quam aeternam suam electionem declarat, zegt Calvijn in een citaat van de Oalvinstudien, Festschrift zum 400 Geburtstage Johann Calvins. Unter Eed. von Lic. Dr. Bohatec herausgeg. v. d. Ref. Gemeinde Elberfelds. Leipzig 1909 bi. 202.

Sluiten