Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den oorsprong en de ontwikkeling van het religieuze leven toe te kennen, welke zij naar Schrift en belijdenis niet hebben mag J). Doch deze ware en echt-Gereformeerde gedachte wordt er toch in vertolkt, dat het verbond der genade niet eerst door de heilsorde tot stand komt, maar daaraan voorafgaat en er den grondslag en het uitgangspunt van vormt. Al wordt de geloovige eerst door het geloof zich bewust, dat hij tot het verbond der genade en den numerus electorum behoort, de Erkenntnisgrund is van den Realgrund onderscheiden. Ten tweede zijn daarom wedergeboorte, geloof en bekeering geene voorbereidingen, die buiten Christus en het verbond der genade omgaan, noch voorwaarden, waaraan de mensch eerst geheel of ten deele in eigen kracht heeft te voldoen, om in dat verbond te worden opgenomen. Maar het zijn weldaden, die reeds uit het verbond der genade, uit de unio mystica, uit de schenking van Christus' persoon voortvloeien. De H. Geest, die de auteur dezer weldaden is, is door Christus voor de zijnen verworven; de toerekening van Christus gaat dus aan de gave des Geestes vooraf, en wedergeboorte, geloof en bekeering leiden niet eerst naar Christus henen, maar worden door den Heiligen Geest uit Christus genomen en aan de zijnen medegedeeld.

Dientengevolge moest, in de derde plaats, de poenitentia in de Gereformeerde heilsorde wel een ander karakter aannemen dan in de Luthersche. Voor een deel werkte ook persoonlijke ervaring hierop in. Calvijn werd op eene andere wijze dan Luther toegebracht. De laatste leefde langen tijd in diep schuldbesef en bangen gewetensangst ; hij voelde jaren aaneen den vloek der wet en den toorn Gods op zich rusten, en vond eindelijk vrede in de genadige vergeving der zonden door het geloof alleen. Calvijn echter werd geleidelijk van de waarheid der Reformatie overtuigd, doch kon, door den eerbied voor de kerk weerhouden, geruimen tijd niet besluiten, zich bij haar te voegen. Maar toen kwam in eens de subita con-

!) Ritschl, Rechtf. u. Vers. I- 203v. meende, dat Calvijn de poenitentia eerst alleen negatief opvatte, als voorafgaande aan het geloof, maar later ze ging verstaan van de uit het geloof voortvloeiende conversio ad Deum, en ze toen ook op de insitio in Christus en de inlijving in de kerk volgen deed. Maar de positieve opvatting van de poenitentia komt ook reeds in de eerste uitgave der Institutie voor, en de insitio in Christum valt bij Calvijn niet met de inlijving in de kerk saam, tenzij men daarbij denke aan de kerk als organisme, en niet als instituut. Verg. H. Strahtmann, Die Entstehung der Lehre Calvins von der Busse in de bovengenoemde Calvinstudien bl. 187—245, vooral 189v. 200v.

Sluiten