Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit bracht, ten vierde, nog weer eene andere wijziging in de poenitentia mede. Bij de Lutherschen vormden contritio en fides de beide deelen der poenitentia. Maar daartegen maakte Calvijn bezwaar. Wel erkende hij, dat poenitentia en fides ten nauwste verbonden waren, en dat de eerste in echten zin zonder de laatste niet mogelijk was, veeleer uit haar voortvloeide. Doch hij merkte op, dat de H. Schrift bekeering en geloof telkens onderscheidt en naast elkander noemt, bijv. Hd. 20:21, en dat ze daarom, quamquam perpetuo inter se vinculo cohaerent, magis tarnen conjungendae sunt, quam confundendae 1). Fides en poenitentia verkregen dus in de heilsorde ieder eene min of meer zelfstandige beteekenis. Daarmede won Calvijn tweeërlei voordeel. Ten eerste kon de fides nu veel inniger met de justificatio in verband gebracht, en deze zuiver in juridischen zin als eene vrijspraak Gods worden opgevat. De Luthersche theologie laat op dit punt, gelijk later in den locus over de rechtvaardigmaking blijken zal, aan duidelijkheid veel te wenschen over, maar de Gereformeerde belijdenis dankte aan Calvijn haar helder inzicht in het religieus karakter der rechtvaardigmaking an tegelijk hare klare opvatting van het geloof als firma ac certa cognitio. Daarmede was nu de justificatio „im voraus völlig sichergestellt1' 2). En het tweede voordeel bestond daarin, dat aan de poenitentia nu zonder vreeze eene ethische beteekenis kon worden toegekend. Bij de Lutherschen gaat het eerste deel der poenitentia, n.1. de contritio, schier geheel en al op in terrores conscientiae s). Ofschoon Calvijn deze nu ook wel in de poenitentia opneemt, zij bestaat toch vooral in mortificatio, dat is in een hartelijk leedwezen over en in een haten en vlieden van de zonde, en voorts in vivificatio, in eene hartelijke vreugde in God en een lust en liefde, om zijn wil te doen *). Geloof en rechtvaardigmaking zijn dus na de contritio niet het een en al in de orde des heils. Luther mocht daarbij liefst blijven staan, de vrijheid van den Christen vooral in verlossing van de wet laten bestaan, en ten aanzien van de goede werken verwachten, dat ze door het geloof vanzelf zouden worden voortgebracht, zooals de vruchten door den boom en de stralen door de zon 5); Calvijn onderscheidde nauwkeu-

') Calvijn, Inst. III 3. 5.

'*) Strahtmann t. a. p. bl. 227.

3) Muller, Die Symb. Bücher bl. 171. 312. 635.

4) Calvijn, Inst. III 3, 3. 5 ▼. Heidelb. Catech. t. a. p.

5) Bij Loofs, Dogrnengesch.4 bl. 772.

Sluiten