Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evangelie tot hem komt, oefent daarom op zijn verstand en wil slechts een zedelijken invloed uit. Als de mensch uit eigen, vrije keuze aan die roeping gehoor geeft, de waarheid toestemt, op Gods genade vertrouwt en Christus' geboden volbrengt — want in assensus, fiducia en obedientia bestaat het wezen des geloofs — dan wordt hij om dit geloof, dat in beginsel de gansche gehoorzaamheid insluit en door God reeds uit genade, om Christus' wil voor volkomen gehoorzaamheid gerekend wordt, gerechtvaardigd en bij volharding de eeuwige zaligheid deelachtig x).

Aan mysticisme en rationalisme zijn ook die eenzijdige voorstellingen der heilsorde verwant, welke onder de namen van antinomianisme (antinomisme) en neonomianisme (nomisme) bekend staan. Het antinomisme is in het algemeen die richting, welke de toepassing des heils tot de verwerving des heils terugbrengt en daarmede schier geheel vereenzelvigt. Christus heeft n.1. volgens deze opvatting alles volbracht, Hij heeft niet alleen onze schuld, maar zelfs de smet der zonde van ons overgenomen; Hij heeft niet slechts de gerechtigheid, maar ook wedergeboorte en heiligmaking voor ons verworven; voor den mensch blijft dus niets te doen over; berouw, bekeering, boete, gebed om vergeving, het doen van goede werken, het is alles onnoodig, draagt een wettisch karakter, en doet te kort aan de volmaaktheid der offerande van Christus. De mensch behoeft alleen te gelooven, d. i. tot het inzicht te komen, dat hij gerechtvaardigd, wedergeboren, geheiligd is, dat hij volmaakt is in Christus; de zonden, die hij dan nog doet, zijn geene zonden meer, zij zijn werken van den ouden mensch, die den geloovige als zoodanig niet meer aangaan, want deze is volmaakt in Christus, is van de wet bevrijd en roemt in de genade. Gewoonlijk blijft het antinomisme hierbij echter niet staan, doch doet nog een stap verder terug; het herleidt eerst de toepassing des heils tot de verwerving, en dan deze weder tot het besluit Gods. Ook Christus heeft de zaligheid niet in eigenlijken zin verworven, want deze lag eeuwig in Gods besluit gereed, maar Hij heeft alleen Gods liefde geopenbaard; gelooven is daarom niets anders dan den waan afleggen, dat God op ons toornt; zonde bestaat alleen in dien waan. Der-

Fock, der Socin. 651—689. Conf. Rem. en Apol. Conf. VII. Limborch, Theol. Chr. IV 11 v. V 8 v. VI 4 v. Wegscheider, Inst. theol. § 146 v. Bretschneider, Dogm. § 177 v. Knapp, Glaub. II 323 v. 382 v. Reinhard, Dogm. § 130.

Sluiten