Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijke gevoelens werden oudtijds door de G-nostieken en Manicheën, en in de Middeleeuwen door vele libertinistische secten verkondigd. Tijdens en na de Hervorming herleefden zij bij de Anabaptisten, bij de secte der Libertijnen, tegen welke Calvijn den strijd aanbond 1), in de independentistische woelingen in Engeland omstreeks het midden der zeventiende eeuw 2), hier te lande bij de Hattemisten en Hebreën 3). Het antinomisme is een verschijnsel, dat niet alleen in de religie, maar ook in de moraal en in de politiek voorkomt; in den nieuweren tijd vond het een tolk in Fr. Nietzsche en in de woordvoeders van het anarchisme.

Alle Hervormers verwierpen dit antinomisme zoo beslist mogelijk. Ofschoon Luther door zijne eenzijdige opvatting van de wet dikwerf zoo sprak, alsof zij voor den Christen, behalve in zoover hij nog zondaar was, geene beteekenis meer had, zoo kwam hij toch ten sterkste tegen Agricola op, die de wetsprediking ten eenenmale verwierp en de poenitentia geheel wilde afleiden uit het geloof aan het Evangelie4). Inderdaad is er tusschen de Hervorming en het antinomisme een principiëel onderscheid. Want niet alleen handhaafde zij de wet Gods in dit opzicht, dat door haar de kennis van zonde en ellende in den mensch gewerkt werd; maar van veel meer beteekenis was het nog, dat volgens het eenparig gevoelen van alle Hervormers de gansche verlossing alleen in den weg van het recht tot stand gekomen was en alleen tot stand komen kon. Het werk van Christus bestond toch in zijne volmaakte gehoorzaamheid aan de wet Gods, en de rechtvaardigmaking had alleen plaats op grond

1) Over den samenhang van de oppositie in Genève en de secte der Libertijnen zie men o. a. Kampschulte, Johann Calvin. Seine Kirche und sein Staat in Geref. II 1899 bl. 13 v. A. Lang, Joh. Calvin, Ein Lebensbild zu s. 400 Geburtstag. Leipzig 1909 b). 128 v.

2) H. Weingarten, Die Revolutionskirchen Englands. Leipzig 1868 bl. 72 v.

3) Hulsius, De hedendaagsche Antinomianerye 2® dr. 1738. Fruytier, Klaer en kort vertoog van de valsheit en gedeformeertheit van het gevoelen der sogen. Hebreen 1697. M. Leyclecker, Hist. en godg. oefeningen over den oorsprong, voortgang en gevoelens van de oude en nieuwe Antin. 1700. De Moor, Comm. II 665—667. Ypey, Geseh. v. d. Chr. Kerk in de 18e eeuw VU 290 v. J. van Leeuwen, Ned. Archief v. Kerk. Gesch. VIII 1848 bl. 57—169. Van Manen, Pontiaan van Hattem. Gids Sept. Oct. 1885.

4) Over Agricola: Loojs, Dogmengesch.4 bl. 858 v. Eawerau, ait. Antin. Streitigkeiten PRE 3 I 585—592. Joh. Werner, Der erste antinom. Streit, Neue Kirchl. Zeits. 1904 bl. 801—824. 860—878.

Sluiten