Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selijk en maatschappelijk leven, onder zijn regiment, en leiden een opgeruimd, Christelijk leven x).

AVat het piëtisme was voor de Luthersche, werd later het methodisme van Wesley 1703—1791 en Whitefield 1714—1771 voor de Gereformeerde kerken. Het wilde oorspronkelijk niets anders dan de slapende kerk wakker schudden en de rechtzinnige Christenheid bezielen met een nieuw leven. Daartoe moesten allereerst door eene aangrijpende prediking van gerechtigheid, zonde, oordeel en verdoemenis de menschen plotseling tot een diep besef van hun verloren toestand gebracht; dan in hetzelfde oogenblik, zonder uitstel, door het geloof tot Christus geleid en van hun zaligheid verzekerd; en daarna tot een nieuw, in den dienst van het koninkrijk Gods werkzaam, aan zending en philanthropie zich toewijdend, van allerlei middelmatige dingen zich onthoudend, zondeloos leven aangespoord worden. Het methodisme verraadt, in onderscheiding van het piëtisme, duidelijk zijn Engelschen oorsprong en Gereformeerde herkomst. Het is wel evenzeer eene reactie tegen de doode orthodoxie; maar het wil van geene voorbereiding, van geen geleidelijken voortgang der bekeering weten ; het kent geen langdurigen Busskampf, geen eindelijk intredenden Durchburch, geene nog later volgende Versiegelung; het trekt alles op één punt saam, plaatst de bekeering in het volle licht des bewustzijns, en houdt boek van de geredde zielen. En als het de menschen bekeerd heeft, verzamelt het hen niet in stille, teruggetrokken kringen, in gezelschappen en conventikels, om daar de vroomheid aan te kweeken ; maar het stelt hen terstond in actieven dienst, dringt op plotselinge, algeheele heiliging aan 3), en organiseert hen tot een leger, dat aanvallenderwijs te werk gaat, onder het motto: bloed en vuur (verlossing en heiliging) de wereld intrekt en ze stormenderhand voor Christus verovert.

De invloed, welken dit Methodisme op de Protestantsche Christenheid geoefend heeft, is schier voor geene overschatting vatbaar. Het heeft niet alleen een aantal uitgebreide en bloeiende kerken of

1) PUtt, Zinzendorfs Theologie 3 Bde. Gotha 1869—1874. Spangenberg, Idea fidei fratrum 1778. Becker, Zinzendorf und sein Christentum im Verlialtnis zum kirchl. und relig. Leben seiner Zeit2. Leipzig 1900, en art. in PEE3. Bitschl, Gesch. des Pietismus III 1886 bl. 2890. H. M. van Nes, De Graaf van Zinzendorf. Nijkerk 1902.

2) Bekeering en heiliging zijn geen geleidelijk in elkaar overgaande phasen

van geestelijke ontwikkeling, maar de beide »sprongvariaties" in de geestelijke imitatieleer, S. L. Veenstra, Het Leger des heils. Baarn 1910 bl. 14.

Sluiten