Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tisme, het methodisme en het piëtisme meer op het verstand, op den wil of op het gemoed van den mensch in de heilsorde den nadruk leggen. Cartesius vond in de zekerheid van het in het denken opgesloten zijn den grondslag en het uitgangspunt van alle kennis, en verhief voorts de klaarheid en duidelijkheid der kennis tot maatstaf van hare waarheid x); daaruit volgde voor den mensch de roeping, om aan de zinlijke, wisselende en onbetrouwbare indrukken zich te ontworstelen en naar klare, heldere begrippen te streven, welke de geest, wiens wezen denken is, als aangeborene in zich draagt en dus uit zichzelf voortbrengen kan. Ook Spinoza ging van de grondgedachte uit, dat quod clare et distincte percipitur, verum est; niet de zinlijke waarneming is bron van kennis, maar verae sunt ideae, quae ex pura mente et non ex fortuitis corporibus motibus factae sunt 2). Doch de natuurlijke mensch is slaaf van zijne affecten, hij lijdt voorzoover hij een deel der natuur is, en vormt zich voorstellingen van goed en kwaad, naarmate iets zijn leven bevordert of onderdrukt. Goed en kwaad bestaan dus niet objectief, maar zijn niets anders dan cogitandi modi seu notiones, en cognitio boni et mali nihil aliud est quam laetitiae vel tristitiae affectus, quatenus ejus sumus conscii 3). Objectief, in het geheel der dingen, is er geen goed en geen kwaad, of liever is alles goed, wijl alles noodzakelijk is en uit God voortvloeit. Zoolang wij echter als eene pars naturae de dingen beschouwen en inadaequate kennis hebben, verkeeren wij in een toestand van slavernij, lijden wij, worden in ons bestaan belemmerd, en voelen we ons gedrukt. Om de ware vrijheid deelachtig te worden is het daarom voor den mensch noodzakelijk, dat hij streve naar eene andere, betere en hoogere kennis, welke echter nog niet, gelijk Cartesius meende, bereikt wordt in de cognitio rationalis, in de kennis van adaequate begrippen, doch een tertium genus cognitionis vormt, die scientia intuitiva mag heeten en voortvloeit ab adaequata idea essentiae formalis quorundam Dei attributorum ad adaequatam cognitionem essentiae rerum 4). Deze kennis geeft ons een klaar en duidelijk idee van de affecten en verschaft er ons heerschappij over B); zij

1) Ac proinde jam videor pro regula generali posse statuere, illud omne esse yerum, quod valde clare et distincte percipio, Cartesius, de Meth. c. 4.

2) Spinoza, Princ. philos. Cartes. I.

3) Spinoza, Eth. IV praef. en prop. 8. IV prop. 64. 68.

4) Eth. II prop. 38—40. V prop. 25 v.

5) Eth. Y prop. 3.

Sluiten