Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegen noumenale of intelligibele wereld. Iedere menschelijke handeling vormt dus eenerzijds een noodwendig stuk in het natuurrueehanisme, en is toch aan den anderen kant eene daad, die vrij, door eene intelligibele oorzaak tot stand komt. Aan deze vrijheid van den menschelijken wil hecht Kant de grootste waarde; ze is voor hem geene hypothese en geen postulaat, maar een feit, dat met de zedewet vanzelf en noodzakelijk gegeven is ; zij is voor hem de hoeksteen van zedelijkheid en godsdienst, de grond voor het geloof aan God en onsterfelijkheid en tegelijk de weg ter verlossing. Door die vrijheid blijft immers de mensch in staat, om, in plaats van door „Antriebe der Sinnlichkeit", door de zedewet, door de achting voor den plicht zich te laten bepalen. Maar ook als hij dit doet, heeft hij voortdurend tegen het kwade te strijden, schrijdt hij in het goede slechts langzaam voort en bereikt de volstrekte volmaaktheid nooit; de zedelijke verbetering is een eindeloos proces; maar, wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen.

In deze woorden van Goethe kunnen de grondgedachten worden saamgevat, welke Kant in zijne Kritïk der praktischen Vernunft over zonde en verlossing ontwikkelt. Maar in zijne Religion innerlialb der Grenzen der bloszen Vernunft bracht hij, onder den invloed van het historisch Christendom, daarin verschillende wijzigingen aan. Daardoor kwam hij toch tot de erkentenis, dat de mensch niet indifferent kan zijn en niet zoo tusschen goed en kwaad in kan staan, dat hij nu eens het een en dan het ander kan doen. Als de mensch één geheel, een organisch wezen is, dan moet hij in de kern van zijne persoonlijkheid, in zijne innerlijke gezindheid óf goed of kwaad zijn. Dat hij het eerste niet is, is niet alleen de leer van het Christendom, maar getuigt ook aller menschen ervaring en de gansche geschiedenis ; ieder mensch heeft zijn prijs, voor welken hij veil is ; er is niemand, die goed doet, daar is er ook niet tot één toe. Tengevolge van eene buitentijdelijke, onverklaarbare vrijheidsdaad is ieder mensch van nature boos ; er is in hem een Hang zum Bösen ; het kwade zit niet aan, maar in hem ; hij is radikaal boos. Zoozeer is Kant van de boosheid der menschelijke natuur overtuigd, dat hij het beslist en helder uitspreekt, dat er tot zijne verlossing eine neue Schöpfung, eine Art Wiedergeburt in hem plaats moet hebben. Maar als hij nu toekomt aan de vraag, of en waardoor deze mogelijk is, dan ontleent hij het antwoord niet aan het Christendom, gelijk hij, consequent voortgaande, had moeten doen, want als de mensch radikaal boos is, hoe kan hij dan zichzelf verlossen ?

Sluiten