Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch wijl de leer der genade hem niet behaagt, grijpt hij tot zijne vrijheidsleer terug. De zedewet sluit de vrijheid in ; als zij onvoorwaardelijk eischt, dat wij het goede zullen doen en goed zullen zijn, dan sluit dat in, dat wij het ook kunnen. Evenals Pelagius uit het si debet tot het potest besloot, zoo leidt ook Kant uit het: du solist, het du kannst af.

En dat de mensch dat kan, betoogt hij daarmede, dat in hem nog de vatbaarheid voor het goede is overgebleven. Er is in hem een Hang zum Bösen, doch daarachter woont er in hem ook eene Anlage zum Guten. Die aanleg bestaat niet alleen negatief in vatbaarheid voor het goede en mogelijkheid van verlossing, doch ook positief in eene kiem van het goede, in de macht, om zich zelf te verlossen. Door dien aanleg blijft de mensch in staat, om zichzelf te veranderen en te vernieuwen. Zooals hij door eene intelligibele vrijheidsdaad zichzelf tot een zondaar maakte, zoo kan hij ook door een dergelijk gebruik van de vrijheid zichzelf wederbaren. Deze wedergeboorte geschiedt niet langzaam en allengs, in den weg van een lang proces, maar plotseling; ze is eene revolutie in het intelligibele substraat van den mensch, eene nieuwe schepping, eene principiëele verandering des harten, een in een enkel oogenblik voltrokken afleggen van den ouden en aandoen van den nieuwen menech. Ofschoon Kant dus in den vrijen wil het principe der verlossing zoekt, wil hij toch niet beslist alle werking der genade daarbij loochenen. Hij wekt integendeel ieder mensch op, om te doen wat in zijn vermogen is en dan voorts te hopen op höhere Mitwirkung. Doch wij kunnen naar Kants meening nooit zeggen, of iets vrucht van genade is, wijl de categorie van oorzaak en gevolg niet boven de natuur uitgaat, en wij kunnen het practisch ook niet aannemen, wijl het goede dan niet onze daad, maar die van een ander wezen in ons zijn zou. Zoo blijft het er bij, dat de mensch door zijn eigen vrijen wil zichzelf verlossen kan en verlossen moet. De idee eener zedelijkvolmaakte menschheid, gelijk die symbolisch in den Christus voor ons staat, strekt daarvoor ook ten waarborg, gelijk ze tevens steun biedt aan ons geloof. Want deze ideale Christus leert ons, hoe door strijd en verzoeking heen de volmaaktheid bereikt en het goede tot heerschappij kan worden gebracht. Als we toch eenmaal door eene intelligibele vrijheidsdaad wedergeboren zijn, vangt daarna in het practische leven het langzame proces der heiliging aan. Wie eens werd wedergeboren, blijft dat en valt nimmermeer tot het oude standpunt terug. Hoe vreemd het ook in Kants vrijheidsstelsel

Sluiten