Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

passen moge, hij neemt de Beharrlichheit van den wedergeborene aan. Wel kan de mensch daarvan niet direct en onmiddellijk verzekerd worden, maar wie in de zedelijke verbetering toeneemt, mag daaruit het besluit trekken, dat hij hier of hiernamaals de volmaaktheid bereiken zal. Het gevoel van schuld en de vrees voor straf behoeft hem daarbij ook niet meer te kwellen. "Want in en na zijne bekeering boet de mensch nog altijd voor de zonden, die hij vroeger bedreven heeft; hij neemt de straf daarvoor vrijwillig op zich, ofschoon deze dan voor hem geene straf meer is, doch eene kastijding, die hem oefent in het goede, en maakt zich daardoor der vergeving waardig; en voorts staat hij als nieuwe mensch straffeloos en rein voor Grods aangezicht, de volmaaktheid moge nog in langen tijd niet bereikt worden, God rekent de gezindheid voor de daad, en rechtvaardigt ons uit genade 1).

Niet minder sterk dan door Kant werd het bederf der menschelijke natuur door Schopenhauer geleerd; vandaar dat ook hij tot de erkentenis kwam, dat tot radicale verbetering van den mensch ontwikkeling of verlichting des verstands geheel onvoldoende is, en dat daartoe niet minder noodig is dan eene wedergeboorte, die den mensch in de kern van zijn wezen verandert, want goede vruchten kunnen alleen worden voortgebracht door een goeden boom, operari sequitur esse2). Beiden, Kant en Schopenhauer, stelden zich daarmede zoo beslist mogelijk tegenover het optimisme en het rationalisme der achttiende eeuw, maar zij kwamen ook daarin overeen, dat zij de oplossing verwierpen, welke in de Christelijke leer der verlossing is te vinden. Terwijl echter Kant aan eene verlossing gelooven bleef, haar door de wilsvrijheid mogelijk en bereikbaar achtte en daarmede tot het optimisme der Aufklarung terugkeerde, bleef Schopenhauer aan zijn pessimisme ten einde toe getrouw en kon dus geene andere verlossing van het lijden aannemen, dan die, evenals in het Buddhisme, in vernietiging van het bewustzijn bestaat. Kunst en wijsbegeerte brengen wel eenigen troost aan, maar de finale verlossing is toch alleen daarin gelegen, dat de mensch in het licht der kennis het gansche ellendige leven op zich laat inwerken als een quietief voor den wil, den wil

1) Kant, Religion usw. ed. Eosenkranz, passim, vooral bl. 54. 58. 59. 82. 86 v.

Verg. vooral T. Hoekstra, Immanente Kritik zur Kantischen Religionsphilosophie.

Kampen 1906. Kap. 1 en 2.

2) Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung 16 477 v. II6 692 v.

Sluiten