Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„verneine", en alzoo inga in het nirwana, waar het bewustzijn geheel verdoofd en de wil ten leven ten volle uitgebluscht is J).

Ook Ed. von Hartmann gaat in zijne verlossingsleer van de ellende des menschen uit, maar neemt daarin dan verder niet alleen elementen op, die aan Kant en Schopenhauer herinneren, doch ook velerlei voorstellingen, die aan de pantheïstische en evolutionistische philosophie zijn ontleend. De mensch met zijn endaemonistisch egoïsme, hetwelk de vrucht is van zijne dierlijke afstamming en historische ontwikkeling, is radicaal boos; het radicaal booze is „die wesentliche und eigenste Natur des Menschen"; hij maakt de op zichzelve niet verkeerde „Sinnlichkeit" tot middel voor zijn egoïsme. Dit booze, zoowel ethisch als physisch, is echter ook door God gewild, niet als einddoel, doch als middel; het is noodzakelijk, om den mensch te maken tot een religieus-ethisch wezen, om hem te doen verlangen naar verlossing en heiliging, om dus aan godsdienst en zedelijkheid niet een tijdelijk en toevallig, maar een blijvend en noodzakelijk bestaan te verzekeren. Diep in den mensch ligt er toch eene latente, fundamenteele wilsrichting van anderen aard, eene ethische Q-esinnung, die aan de objectieve zedelijke wereldorde beantwoordt en hem de strategische basis van operatie verschaft, van waaruit hij het booze bestrijden kan. Hij is niet bloot een natuurlijk, maar ook een zedelijk wezen, met verantwoordelijkheid, plichtsbesef, schuldgevoel, berouw, met behoefte aan en vatbaarheid voor verlossing. Deze ethische gezindheid is niet uit den mensch als natuurwezen, uit zijn egoïsme te verklaren, maar wijst terug op de inmanente objectieve rede, die in hem werkt en zich door het booze heen in mensch en wereld realiseert. Ze kan daarom in de taal der religie den naam van genade dragen en bestaat niet alleen in den van de voorgeslachten overgeerfden zedelijken aanleg (Erbgnade), maar ook in de zedelijke kracht, om dezen aanleg te ontvouwen en te ontwikkelen (aktuelle Gnade). In haar geheel is zij dus te beschouwen als de immanente heerschappij der zedelijke wereldorde, als de heilige geest, waardoor God het goede in de menschheid realiseert. Geen mensch is dan ook ten volle van haar verstoken; er zijn geen absoluut verworpenen of verkorenen; ieder behoort in meerdere of mindere mate tot de begenadigden; en aan elk wordt de mate der genade naar gelang van zijne herkomst, opvoeding enz. gegeven, opdat hij ze zich eigen make, vermeerdere, verdiene.

Schapenhauer t. a. p. I 448 v.

Sluiten