Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zaligheid komt dus den mensch van Gods zijde door genade toe, maar zoo, dat hij zelf ze zich door zedelijke inspanning verwerve. Vandaar dat de genade, van 's menschen zijde beschouwd, geloof mag heeten; deze beiden zijn niet twee, maar één, evenals God en mensch in wezen één zijn. Maar omdat genade en geloof hetzelfde zijn, van verschillend standpunt bezien, daarom is de verlossing en heiliging ook een proces, dat langzaam voortgaat; het heil komt niet in eens en plotseling, maar geleidelijk, in den weg des geloofs, tot stand. Dit heilsproces begint met de Erleuchtung, wekt dan het schuldbewustzijn, het schuldgevoel en den afkeer van het booze, welke momenten echter nog slechts negatieve, voorbereidende beteekenis hebben, en doet dan in den mensch het geloof ontstaan, dat eigenlijk onbewust al aan de genoemde momenten voorafgaat, maar nu bewust werken gaat, en aan den nieuwen mensch het aanzijn schenkt. Door dit geloof geeft de mensch zich aan de genade over, overwint hij het schuldbewustzijn, wordt hij de verzoening, den vrede, het kindschap en de eenheid met God deelachtig, en legt hij zich op heiliging toe, die heel het leven door voortduurt. Dit subjectieve heilsproces is echter niet einddoel, maar is ondergeschikt aan en middel voor het objectieve heilsproces in de menschheid, hetwelk in den triumf der zedelijke wereldorde (beter dan: van het Godsrijk) bestaat, en, wijl er op andere wijze geene waarachtige verlossing is, uitloopt op die Erlösung der "\\ elt von sich selbst als der Triumph der Idee im Untergang des Universums. De Universalerlösung valt met de Weltvernichtung saam, met de Zurücknahme der raumlich-zeitlichen Erscheinung in das ewige Wesen, met den terugkeer van den absoluten wil uit den toestand der actualiteit in dien der potentialiteit; de verlossing der wereld blijkt dan een middel te zijn voor de verlossing Gods !).

424. Langs eene andere lijn ontwikkelde zich de philosophie na Kant tot de idealistische systemen van Fichte, Schelling en Hegel. Met den wijsgeer van Koningsbergen verlegde Fichte het zwaartepunt uit de theoretische in de practische rede, uit het verstand in den wil, uit het weten in het zedelijk handelen. Maar hij

Ed. von Hartmann, Religionsphilosophie. Leipzig Friedrich II 180 v. 271 v. Verg. ook A. Drews, Die Religion als Selbstbewustsein Gottes. Jena 1906 bl. 237 v. 363 v.

Sluiten