Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene soortgelijke ontwikkeling maakte Schelling door. In den eersten tijd was hij tegenover den godsdienst vrij onverschillig, maar hij kwam door eene diepere studie van de natuur tot de zoogenaamde identiteits-philosophie, waarin niet het doen maar het zijn het hoofdbegrip vormde en de eenheid uitgesproken werd van subject en object, van geest en natuur, van God en het Al. Dit Absolute kan echter niet door het denken gevonden noch door bewijzen gedemonstreerd worden, maar wordt alleen gekend door intellectueele aanschouwing, evenals religie, zedelijkheid en kunst ook slechts in deze mystiek van het hart haar wortel hebben. Reeds daarin blijken godsdienst en wijsbegeerte verwant te zijn, maar voorts hebben zij ook denzelfden inhoud, n.1. de eenheid van het oneindige en het eindige. Terwijl het Heidendom echter het oneindige tot het eindige neerhaalt, heft het Christendom het eindige tot het oneindige op; daarom heeft de mythologie natuur, de Christelijke theologie daarentegen geschiedenis tot inhoud, bepaaldelijk zooals deze zich concentreert in den persoon, en nog nader in den dood en de opstanding van Christus, die het keerpunt der tijden is. Al deze gedachten, die bij Schelling reeds in den tijd zijner identiteits-philosophie voorkomen, werden later breeder uitgewerkt in zijne positieve philosophie, vooral in zijne wijsbegeerte der openbaring.

Deze positieve philosophie vult de negatieve aan, begint waar deze eindigde, en stelt in het licht, dat de gansche geschiedenis der menschheid in eene terugvoering van het eindige tot het oneindige bestaat. Eigenlijk begint de val reeds met de schepping, met het zelfstandig worden van het eindige, maar hij zet zich daarin voort, dat de mensch dit eindige misbruikt tot een middel voor zijne zelfzucht. Deze verwijdering van zijn schepsel werkte God op historische wijze tegen door den persoon van Christus. Deze had reeds een eigen, zelfstandig bestaan, maar legde zijne heerlijkheid af en werd des menschen zoon. Niet eerst in het oogenblik zijner menschwording, maar reeds lang te voren, van den dag van 's menschen val af. Ofschoon niet onder den naam van Christus, was Hij toch reeds in het Heidendom, in de mythologie werkzaam ; en de gansche tijd van zijne werkzaamheid in het Heidendom tot zijn dood toe was de periode van zijne vernedering en van zijn lijden. Maar met zijne opstanding volgt de omkeer. Daarin is afrekening gehouden met al het oude; aan het Heidendom, aan de mythologie, aan de daemonen hun macht en heerschappij Geref. Dogmatiek III. 40

Sluiten