Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wereldproces, dat gegrond is in de drie Potenzen (natuur, geest, persoonlijkheid of liefde) van het Goddelijk wezen, zijn einde bereikt, want alle dingen zijn weder door Christus tot hunne eenheid met God teruggeleid. Verzoening van God en zijn schepsel is de inhoud der geschiedenis.

Evenals zijne voorgangers, werd Hegel in tegenstelling met de Aufklarung door den wensch bezield, om aan het Christendom en aan de verlossing, die daarvan het centrum uitmaakt, eene plaats in zijn wijsgeerig stelsel te verzekeren. Hij legde daarom den grondslag voor de verzoening in de beweging van het Absolute zelf. Dit Absolute toch is geen onveranderlijk zijn, maar een eeuwig worden, zichzelf ontwikkelende geest en gedachte; het is aan het begin slechts potentialiteit, om door de geschiedenis der wereld heen zichzelf te brengen tot actualiteit. Zoo „entaussert" het zich eerst in de natuur en zet daarin een tegendeel tegenover zich, om daaruit dan weder in den geest langzamerhand tot zichzelf terug te keeren. Door Selbstentausserung gaat het tot Selbstversöhnung. Deze Selbstentausserung begint met het bestaan van de eindige wereld en voltooit zich in den mensch, die, eerst in een staat van naieve onschuld levende, daarna tot zelf bewustzijn ontwaakt, zich in zijne bijzonderheid handhaaft, de eindige dingen aan zijne zelfzucht dienstbaar maakt, en daardoor de zonde in de wereld brengt. Door deze zonde verkeert hij in eene tegenstelling met God, evenals hij door de velerlei rampen en onheilen in tegenstelling met de wereld staat. Maar het is zijn voorrecht, dat hij dit ook beseft, en dus ook behoefte gaat gevoelen aan verlossing. Deze verlossing moet in het algemeen daarin bestaan, dat de bestaande tegenstelling verzoend, ■en de wezenseenheid van God en mensch ingezien en erkend worde. Het is echter eene valsche meening, dat die verzoening door eenig mensch of door alle menschen samen tot stand gebracht zou kunnen worden. Ze kan door hem alleen aanvaard worden, wanneer ze vooraf als waarheid bestaat. En zoo bestaat zij inderdaad, allereerst in de idee Gods, maar dan voorts ook historisch in den persoon van Christus. In de idee Gods zijn het oneindige en het eindige, God en mensch eeuwiglijk een. Doch dit was niet genoeg. Als de verzoening werkelijk in de menschheid tot stand zou komen; als de menschen, niet alleen de geleerden maar ook de onontwikkelden en geringen, daarvan volstrekte zekerheid zouden verkrijgen, dan moest die idee ook aanschouwelijk, historisch, in een persoon voor hun oog worden geplaatst. En dat is door God in Christus geschied,

Sluiten