Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telijke religie de rede op te sporen; maar in hetzelfde oogenblik onderwerpt hij die Christelijke religie aan zijn denkend bewustzijn en vindt in zijne eigene rede den maatstaf van hare waarheid. "Wel verklaart hij, dat de philosophie zich niet boven de Christelijke religie en haar inhoud stelt, maar alleen boven den geloofsvorm, waarin zij de waarheid bezit. Doch daarmede wordt die andere uitspraak niet goedgemaakt, dat n.1. het denken is „der absolute Richter, vor dem der Inhalt sich bewahren und beglaubigen soll." Het Christendom moge dus eene leer der verzoening hebben voorgedragen, waarin een diepe zin ligt; deze diepe zin wordt toch eerst in de philosophie aan het licht gebracht. En niet de godsdienst, maar de wijsbegeerte brengt de eigenlijke verzoening aan. Die Philosophie ist sofern Theologie, sie stellt dar die Versöhnung Gottes mit sich selbst und mit der Natur, dass die Natur, das Anderssein an sich göttlich ist, und dass der endliche Geist theils an ihm selbst diess ist, sich zur Versöhnung zu erheben, theils in der Weltgeschichte zu dieser Versöhnung kommt J). De poging, om die Vernunft zu versöhnen mit der Religion, liep derhalve uit op eene scheiding tusschen idee en feit in het Christendom, waarbij ten slotte ook de idee niet meer te handhaven is. De historie na Hegel toonde duidelijk aan, dat met het bad het kind, en met den vorm de inhoud zelf was weggeworpen. Ontdaan van hare speculatieve inkleeding en tot eenvoudige woorden teruggeleid, hield de idealistische philosophie slechts deze gedachte over, dat de mensch, van nature verkeerende in de tegenstelling van zinnelijkheid en rede, natuur en geest, idee en werkelijkheid, langzamerhand, in den weg van een proces boven die tegenstelling verheven werd, en dit proces, hetzij meer door zijn verstand hetzij meer door zijn wil, zelf te steunen en te bevorderen had.

De moderne theologie, die met Strausz optrad, bezorgde aan de philosophie van Hegel deze ontnuchtering, en toonde daarin terstond haar eigen verstandelijken aard. Al houdt ze dikwerf nog de Christelijke termen aan, zij verbindt daarmede toch een anderen zin. God en mensch n.1., of met andere woorden, de genade Gods en de wil van den mensch vormen in het werk der bekeering geene tegenstelling, maar de bekeering is tegelijk en geheel een werk van baide. De genade immers valt feitelijk met Gods voor-

Hegel, Philos. der Religion, Werke XII 287. 288. Verg. ook Opzoomer, De wijsbegeerte den mensch met zichzelven verzoenende 1846.

Sluiten