Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de zedelijke grootheid van Jezus op het onbevangen gemoed wordt gemaakt 1). Door dat geloof krijgt de mensch een ander oordeel over G-od, zichzelven, de wereld ; hij leert G-od kennen als liefde, weet, dat zijne zonde geene verhindering meer is voor de gemeenschap met G-od, acht rampen en onheilen geene straffen meer, maar heerscht geestelijk over alle dingen; in een woord, zijn schuldbewustzijn is weggenomen en daarin bestaat zijne rechtvaardiging 2). Gevolg van deze rechtvaardiging is de verzoening, het afleggen der vijandschap jegens God op grond van die rechtvaardiging 3). En met die rechtvaardiging en verzoening is wezenlijk de wedergeboorte identisch, want deze bestaat niet in eene hyperphysische verandering, maar in eene verandering van stemming en gezindheid 4).

426. Aan Ritschl komt de verdienste toe, dat hij in een tijd, waarin de reformatorische leer der rechtvaardigmaking miskend en met die der heiligmaking verward werd, wederom op hare beteek enis voor het religieuze leven de aandacht gevestigd, en haar zelve weder in het middelpunt der heilsorde geplaatst heeft. Maar hij deed dit toch op zulk eene wijze, dat de critiek niet uitblijven kon. De voornaamste bedenkingen, die allengs tegen haar werden ingebracht, laten zich kort aldus samenvatten: 1° Ritschl stelt eenzijdig in God de liefde voorop, miskent zijne heiligheid en gerechtigheid, en tracht de verzoening alleen uit Gods liefde af te leiden. 2° De verzoening bestaat alleen hierin, dat Christus door zijn leer en leven verkondigd heeft, dat God liefde is en dat er in Hem voor toorn geene plaats is. 3° Schuld en straf zijn alleen menschelijke voorstellingen, maar beantwoorden niet aan eene objectieve werkelijkheid, te minder wijl het wezen der zonde in onwetendheid ligt. 4° De rechtvaardiging, begrepen in Jezus' verkondiging van de liefde Gods, is een goed der gemeente, zoodat de enkele

J) Verg. deel I 49 v. 585 v.

2) Ritschl, t. a. p. III 38 v.

3) Ritschl, t. a. p. III 74—76.

4) Ritschl, t. a. p. III 557. 562. Verg. voorts Herrmann, Der Verkehr des Christen mit Gott6. Stuttgart 1908. ld., Christl. Protest. Dogmatik (Die Christl. Religion, in: Die Kultur der Gegenwart, bl. 583—632), vooral bl. 615—623. Kaftan, Dogm. § 53 v. 68 v. Reischle, Christ. Glaubenslehre. Halle 1899 § 106 v. Kim, Ev. Dogm. § 42 v. Haring, Der Christl. Glaube Dl. 501 v. Bonsset, Das Wesen der Religion. Halle 1903 bl. 248 v.

Sluiten