Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

torischen grondslag, voor den godsdienst nog vastigheid vinden dan in de metaphysica? En dan eindelijk nog, Ritschl had te weinig waarde gehecht en te weinig aandacht gewijd aan het religieuze leven in het subject; de enkele was voor hem een deel der gemeente, was in hare gemeenschap van de liefde Gods verzekerd, maar leefde daar zelf niet uit in de mystiek van zijn hart. En toch leerde men het wezen der religie eerst recht kennen, door het bestudeeren van de religieuze persoonlijkheid. Al deze overwegingen verklaren, dat de dogmatiek van Ritschl allengs tot de dogmengeschiedenis is gaan behooren, dat er na hem eene nieuwe mystiek en eene nieuwe philosophie zijn opgekomen, en dat zijne methode voor de religionsgeschichtliche ee'nerzijds en aan den anderen kant voor de religionspsychologische heeft plaats gemaakt 1).

Hier ter plaatse is voor ons de laatste van bijzonder belang. De Religionspsychologie is nog eene jonge wetenschap, maar zij werd voorbereid door de richting, waarin het religieuze leven zich in de laatste eeuwen voortbewoog. De machtige bewegingen, zooals het piëtisme in Duitschland en het methodisme in Engeland en Amerika die te voorschijn riep, hadden alle dit gemeen, dat zij het zwaartepunt uit het object der religie in het subject verlegden. De theologie volgde dit spoor in de stelsels van Kant, Schleiermacher en hunne scholen. En in den nieuweren tijd werd deze subjectieve richting bevorderd door het agnosticisme, de Bijbelcritiek, de experimenteele psychologie en door de studie der godsdiensten en der revivals. De verslagen, welke de revivalisten van hunne meetings en van de daarop verkregen bekeeringsresultaten gaven, waren de naaste aanleiding voor het ontstaan van de psychologie der religie. De tegenwoordige president van Clark University, G. Stanley Hall, werd daardoor op de gedachte gebracht, om van de daarin vervatte gegevens nauwgezette studie te maken, en hij vormde weldra eene school, die naar experimenteele en questionaire methode de religieuze verschijnselen onderzocht, en in vele landen vertakkingen kreeg 2).

De psychologie der religie onderzoekt echter niet alle godsdienstige verschijnselen, maar laat de studie van de objectieve verschijnselen

1) Verg. reeds deel I 52 v., 167 v., 580 v. Voorts ook Th. Haring. In welchem Sinn diirfen wir uns immer noch »Göttinger" heiszen? Albrecht Ritschls Bedeutung für die Gegenwart. Zeits. f. Th. u. K. Mai 1910 bl. 165—196.

2) Verg. reeds deel I 54. 55. Vooral echter is hierbij te raadplegen de dissertatie van Dr. J. G. Geelkerken, De empirische Godsdienstpsychologie. Amsterdam 1909, die bl. 407—412 eene lange lijst van litteratuur geeft.

Sluiten