Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wijze waarop, de orde waarin, of de weg, waarlangs de zondaar in het bezit komt van de weldaden der genade, die door Christus verworven zijn. In de dogmatiek kreeg zij eerst laat eene zelfstandige plaats en eene eenigzins geregelde behandeling. Bij de Scholastici is de stof voor dezen locus nog verspreid ; het voornaamste, dat hier ter sprake komt, is te vinden in de commentaren op Sent. II dist. 26—29, III dist. 25—-27, en op de Summa II1 qu. 109—114. Het Tridentinum behandelt al de op de genade betrekking hebbende onderwerpen onder den titel de justificatione, sess. VI. De Roomsche theologen vatten de stof gewoonlijk samen in een locus de gratia, en brengen daarin achtereenvolgens ter sprake de gratia actualis (natura, necessitas, gratuitas, universalitas, sufficientia, efficacia), de gratia habitualis of sanctificans (natura, dispositiones, effectus, stabilitas, augmentum), en de fructus gratiae of meritum (natura, conditiones, objecta). De reformatorische theologie behandelde de heilsorde eerst gewoonlijk in drie capita: de poenitentia, de fide, de bonis operibus; maar zij zag zich reeds spoedig tot uitbreiding genoodzaakt en nam toen verschillende onderwerpen op: de vocatio, illuminatio, regeneratio, conversio, fides, justificatio, sanctiiicatio enz. Natuurlijk werd toen spoedig de behoefte gevoeld, om deze uitgebreide, rijke stof onder één hoofd samen te vatten en op eene bepaalde wijze te rangschikken. Calvijn ging daarin reeds voor en gaf aan het derde boek van zijne Institutie den titel: de modo percipiendae Christi gratiae, et qui inde fructus nobis proveniant et qui effectus consequantur. Anderen spraken van gratia Sp. S. applicatrix (Quenstedt), Gonr.otoTrouu seu salutis consequendae modus (Calovius), redemptionis applicatio (Mastricht), ordo salutis seu salutis impetrandae modus (Reinhard) enz., terwijl er in de orde van behandeling nog grooter verscheidenheid heerschte 1).

Handelend over deze heilsorde, denkt de theoloog echter geen eigen weg ter zaligheid uit en gaat hij ook niet bij de wetenschap, de kunst of de cultuur ter school, maar heeft hij zich te houden aan zijn uitgangspunt, dat de H. Schrift het eenige en genoegzame beginsel der theologische wetenschap is. Evenals in eiken anderen locus, heeft hij ook bij de behandeling der via salutis voor eigenwilligen godsdienst zich te wachten. Op de vraag: welke is de weg naar den hemel ? mag hij geen ander antwoord geven, dan hetgeen in de Heilige Schriften is vervat. Geen mensch, maar Glod zelf

Verg. boven bl. 590 v.

Sluiten