Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft dien weg in Christus gelegd en bekend gemaakt; het is een versche en levende weg, die door Christus zelf gebaand en bewandeld is, die waarlijk tot het eeuwige leven leidt, Hebr. 10:20, en waarop de kinderen Gods van het begin tot het einde door den Geest van Christus geleid worden, Ps. 73:24, Rom. 8:14. Maar juist, als de theologie ook in den heilsweg, zoo streng mogelijk zich houden wil aan het onderwijs der H. Schrift, komt zij terstond voor eene eigenaardige moeilijkheid te staan. Eenerzijds toch is alles door Christus volbracht, de zonde verzoend, de wet vervuld, de dood overwonnen, Satan onderworpen, de vergeving verworven, het leven in onverderfelijkheid aan het licht gebracht. Men zou, hierop alleen lettende, verwachten, dat zij, voor wie Christus gestorven is, aanstonds en volkomen van zonde, lijden, dood bevrijd en de heiligheid en zaligheid deelachtig zouden worden. Dit is echter niet het geval; integendeel worden zij in den tijd vermaand tot geloof en bekeering, moeten wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd en verheerlijkt worden, blijven in dit leven aan zonde, lijden en dood onderworpen, en gaan eerst door vele verdrukkingen in in het koninkrijk der hemelen. Hoe is het eene met het andere te rijmen? Eenerzijds alles volbracht, zoodat er voor den mensch niets te doen overblijft; en andererzijds schijnt aan den mensch nog het voornaamste te moeten gebeuren, zal hij de verworvene zaligheid deelachtig worden. De Christelijke religie schijnt twee onverzoenbare standpunten in te nemen, het hetero- en het autosoterische, als zij de verwerving der zaligheid geheel aan Christus toeschrijft en ons toch opwekt, om onze zaligheid uit te werken met vreeze en beving 1). Twee klippen zijn er daarom, op welke de Christelijke heilsorde altijd gevaar liep te stranden, op het antinomisme aan den eenen en op het nomisme aan den anderen kant.

Het nomisme (Pelagianisme in zijne verschillende vormen en graden) komt niet alleen met de besluiten Gods in strijd 2), maar het doet ook te kort aan den persoon en het werk van Christus. Naarmate het bij de verwerving der zaligheid de werkzaamheid des menschen uitbreidt, krimpt het die van Christus in. Het is toch duidelijk, dat, indien het geloof, de bekeering, de volharding, voor het geheel of voor een deel in 's menschen macht staan en zijn

*) Von Hartmann, Religionsphilos. I 569 v. 2) Verg. deel II 356 v. 390—397.

Sluiten