Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan ze de naam zijn voor allerlei lichamelijke en geestelijke weldaden (beneficia, dona gratis data), die door God uit genade aan zijne schepselen geschonken worden, en al te zamen gaven der genade en genade zelve zijn, Rom. 5 : 20, Ef. 1:7, 2 : 5, 8, Phil. 1: 2, Col. 1: 2, Tit. 2 :11, 3:7 enz. Alverder kan het woord te kennen geven de bevalligheid (gratie), welke iemand door de gaven, waarmede hij naar ziel en lichaam versierd is, tentoonspreidt. En eindelijk heeft het Grieksche %<xqig en het Latijnsche gratia menigmaal nog de beteekenis van dank, door iemand aan een ander voor ontvangene gunst betoond (gratias agere). Hier hebben wij alleen met genade in den tweeden zin te doen. Maar ook zoo is het begrip voor de zaak, die hier in behandeling komt, nog veel te ruim. "Want in dezen locus komen niet ter sprake de objectieve weldaden der genade, welke God in zijne wet, in het Evangelie, in den persoon en het werk van Christus, in de kerk en de genademiddelen aan de menschen geschonken heeft, en die elders afzonderlijk in de dogmatiek behandeld worden. Maar hier ter plaatse worden alleen die gaven der genade aan de orde gesteld, welke de Heilige Geest subjectief, inwendig aan den mensch mededeelt, en die in het nauwste verband met zijne zaligheid staan. Er vallen dan eenerzijds buiten die gaven van Gods algemeene genade, welke aan alle en allerlei menschen in kleinere ofgrootere mate geschonken worden, Mt. 5 : 45, Hd. 14 :17, Jak. 1:17, en aan de andere zijde die buitengewone gaven (charismata, in de Roomsche theologie gewoonlijk in aansluiting aan het (Imotuv in Mt. 10:8 met den naam van gratia gratis data aangeduid, omdat de ontvanger deze charismata om niet, ten dienste van anderen aanwenden moet), welke de H. Geest in de gemeente aan een iegelijk uitdeelt, gelijkerwijs Hij wil, 1 Cor. 12 :4, 11. En er blijven in dit hoofdstuk alleen ter behandeling over die gaven van Gods bijzondere genade, welke in de prediking van het Evangelie aan alle hoorders aangeboden en daadwerkelijk aan de uitverkorenen geschonken worden.

Over deze genade bestaat tusschen Rome x) en de Reformatie,

bl. 29 v., laat er het allerbelangrijkst element der goddelijke ontferming tegenover schuldige zondaren uit wegvallen, 31 v., geeft haar tot inhoud niet alleen het Evangelie maar ook de wet, 80 v., ziet in Gen. 1 : 26 den groszen Gnadenbrief, den Gott dem Menschengeschlechte in die Wiege gelegt hat, het protevangelium, 81, en maakt ze dan voorts nog geheel van den vrijen wil des menschen afhankelijk, 63 v. Veel beter handelt over dit onderwerp B. Vömel, Der Begriff der Gnade im N. Test. Gütersloh 1903.

Verg. boven bl. 579 v.

Sluiten