Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaaldelijk in hare Gereformeerde ontwikkeling, een belangrijk verschil. De hier bedoelde genade draagt in de Roomsche theologie den naam van gratia gratum faciens, genade, welke den mensch Gode aangenaam maakt, en wordt wederom onderscheiden in gratia actualis en gratia habitualis. Eerstgenoemde wordt aan den mensch geschonken, om hem tot het doen van zaligmakende werkzaamheden in staat te stellen, ad operandum salutariter. Want de natuurlijke mensch, de homo naturalis zonder het donum superadditum, kan nog wel vele natuurlijk en zedelijk goede werken doen, maar hij kan niet zulke werken doen, die met de tot eene hoogere orde behoorende, bovennatuurlijke, hemelsche zaligheid in verband staan. Tot het zaligmakend werken is den mensch de gratia actualis (ook wel genoemd gratia praeveniens, antecedens, excitans en zelfs operans) absoluut noodzakelijk, zoodat het pelagianisme en semipelagianisme op dit punt door Rome beslist verworpen worden. Ook verstaat de Roomsche theologie onder die gratia actualis niet louter de uitwendige roeping door het Evangelie met de daaraan verbonden zedelijke werking op verstand en wil, maar ze denkt daarbij aan eene illustratio intellectus en inspiratio voluntatis, welke aan den mensch niet alleen vires morales, maar ook vires physicas toevoegt.

Reeds hierbij verdient het de aandacht, dat Rome de volstrekte noodzakelijkheid der gratia habitualis niet zoozeer baseert op den zondigen toestand, waarin de mensch verkeert, als wel daarop, dat de mensch, het donum superadditum verloren hebbende, louter een homo naturalis is, die uit den aard der zaak geen bovennatuurlijk goede werken, geen actus salutares, doen kan; want actus perducentes ad finem oportet esse fini proportiatos 1). Maar voorts leeren de Roomsche theologen, dat deze gratia actualis universeel is, niet alleen zoo, dat ze aan allen mag aangeboden worden of aangeboden wordt, maar bepaaldelijk ook in dien zin, dat zij feitelijk aan alle menschen zonder onderscheid geschonken wordt, dus ook aan de ongedoopt stervende kinderen, aan de ongeloovigen, aan de verstokte zondaren, aan de Heidenen 2). Indien dit echter het geval is en aan de andere zijde de zaligheid feitelijk niet aller deel wordt, dan is het een met het andere alleen zoo in overeenstemming

J) Thomas, S. Theol. II 1 qu. 109 art. 5.

2) Zie bijv. van de bovengenoemde Roomsche theologen Heinrich—Gutberlet, Dogm. Theol. VIII 303—328. Scheeben—Atzberger, Dogm. IV 163—187. Pohle, Dogm. II 414—433.

Sluiten