Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de bloot natuurlijke genade „einen ebenso schroffen G-egensatz" vormende, als de natuur met de „Uebernatur"1). Veel sterker wordt nog van de gratia habitualis (infusa) gezegd, dat zij eene gave Gods is, waardoor de mensch in ordinem supernaturalem elevatur et naturae divinae aliquo modo particeps fit 2). Ze is eene divina qualitas in anima inhaerens, ac veluti splendor quidam et lus, quae animarum nostrarum maculas omnes delet, ipsasque animas pulchriores et splendidiores reddit 8). Nog nader is zij een habitus entitativus of substantivus, die niet maar, zooals bijv. de kennis, een bepaald vermogen, maar het wezen der ziel zelf vernieuwt en 'volmaakt 4).

Deze vernieuwing en volmaking bestaat daarin, dat de mensch door ingestorte genade wedergeboren, gerechtvaardigd, geheiligd, het kindschap G-ods deelachtig, in zijne vriendschap opgenomen, tot een tempel des H. Geestes verheven wordt; maar ze vindt hare meest praegnante uitdrukking daarin, dat de mensch door deze genade der goddelijke natuur deelachtig wordt gemaakt, 2 Petr. 1:4. De genade schept in den mensch een zijn, waardoor hij op gansch bijzondere wijze vergoddelijkt wordt. Zij verheft hem „in die göttliche Ordnung"; ze kan hem niet tot God maken, maar stelt hem toch tot de Godheid in eene zeer speciale verhouding; zij voert den mensch met zijne vermogens niet bloot tot de hoogste hoogte op, waartoe hij van nature vatbaar is, want dan kwam hij toch niet boven de natuurlijke volmaaktheid uit; maar wijl de genade in strikten zin bovennatuurlijk is, voert zij den mensch op boven zijne natuur, boven de natuur der engelen, boven alle natuur; boven de werkelijke schepping en ook boven alle mogelijke naturen; zij verheft ons „nicht blos über die menschliche Natur, sondern über jede Katur, über die höchsten

Chöre der himmlischen Geister nicht blos über die ganze

existirende Schöpfung, sondern sie erhebt uns auch über alle m'óglichen AVesen, auch die denkbar vollkommensten nicht ausgenommen." En daar boven alle mogelijke wezens alleen God staat, „so muss uns diese gnadenreiche Erhebung in eine götliche Sphare versetzen" 5). Hieruit blijkt duidelijk, wat de eigenlijke bedoeling der genade bij Rome is. Zij heeft tweeërlei taak, ut elevet et

Pohle, t. a. p. II 333.

2) Pesch, Prael. dogm. V 172. 188.

3) Catech. Rom. II 2 qu. 38.

4) M. Caesare, Theol. dogm. III 310. Pohle, Dogm. II 522.

5) Heinrich—Gutberlet, Dogm. Theol. VIII 588 y.

Sluiten