Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgenomen. Toen de Hervorming alzoo in de heilsorde het werk des H. Geestes weer op den voorgrond plaatste, besprak zij dit eerst wel op eenvoudige wijze in de drie loei: poenitentia, fides en bona opera, maar zij zag zich weldra tot breedvoeriger behandeling genoodzaakt. En niet alleen werd het aantal loei uitgebreid, maar in hun inhoud en onderlinge verhouding kwamen er allengs, vooral in de Gereformeerde theologie, allerlei belangrijke wijzigingen.

Er werd reeds vroeger op gewezen, dat de leer van de verkiezing en die van het genadeverbond in den eersten tijd menigmaal bij de heilsorde werden behandeld, maar later in den regel naar voren gebracht en in den locus over God of in dien over Christus werden opgenomen 1). Eene dergelijke verschikking had tengevolge van verandering in de begrippen ook bij andere loei in de heilsorde plaats. Hetzij praedestinatie, verbond, kerk en genademiddelen al dan niet voorafgingen, de eerste plaats werd in de ordo salutis ingeruimd voor de roeping; gelijk in schepping en voorzienigheid, zoo bracht God ook in de herschepping alle dingen door middel van het woord tot stand. Ook toen deze roeping in uit- en inwendige onderscheiden, de wedergeboorte in engeren zin verstaan en vóór het geloof gesteld werd, bleef de roeping in de heilsorde steeds de eerste plaats innemen 2). Men hield aan deze orde vast tegenover de Wederdoopers, die den Geest in zijne werking geheel van het Woord losmaakten, en tegenover de Remonstranten, die de Gereformeerden met hunne leer van de krachtdadige en rechtstreeksche werking des Heiligen Geestes, van minachting en verwaarloozing van het genademiddel des Woords beschuldigden. Voorts was er in de heilsorde ook geen verschil over, dat het beginsel en de aanvang van het nieuwe leven in den mensch enkel en alleen te danken was aan eene inwendige, rechtstreeksche, krachtdadige en onverwinbare werking des Heiligen Geestes. Somtijds werd deze werking zelfs eene onmiddellijke genoemd, niet om de werking des H. Geestes het genademiddel des woords uit te sluiten, maar 1° om tegen de Remonstranten staande te houden, dat de H. Geest, schoon zich bedienende van het woord, toch zelf met zijne genade inwendig in het hart des menschen binnendrong en daar de wedergeboorte tot stand bracht, zonder van den wil des menschen en van zijne toe-

Verg. boven bl. 593.

2) Zie Calvijn, Gomarus, Maccovius, Voetius, Mastricht, de Dordsche en de Westminster Synode, aangehaald in mijn: Roeping en Wedergeboorte. Kampen. 1903 bl. 60—92.

Sluiten