Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stemming afhankelijk te zijn; en 2° om tegenover de theologie van Saumur uit te spreken, dat de H. Geest bij de wedergeboorte niet slechts door het woord het verstand verlichtte, maar ook rechtstreeks en onmiddellijk in den wil nieuwe genegenheden instortte *).

Daarentegen was er wel verschil in de benamingen, waarmede het allereerste werk van den H. Geest in het hart van den zondaar aangeduid werd. Zich aansluitende bij de ervaring, welke Luther had doorgemaakt, spraken velen eerst van de poenitentia en daarna van de fides en de bona opera. Maar men merkte al spoedig op, dat zulk eene ervaring niet door allen doorleefd werd en ook niet aan allen, bepaaldelijk niet aan de kinderen des verbond s, tot eisch gesteld kon worden; voorts was er ook, gelijk Luther en Calvijn reeds aanwezen, een groot verschil tusschen de droefheid naar de wereld, die uit de wet voortkwam, ook in onbekeerden vallen kon, en volstrekt niet noodzakelijk tot het zaligmakend geloof leidde, en de droefheid naar God, welke het geloof reeds onderstelde en uit het nieuwe leven opkwam. Op voorbeeld van Calvijn 2), namen daarom de Gereformeerden de poenitentia in het Christelijk leven op en gaven haar spoedig een anderen naam. Het woord poenitentia had toch, evenals het woord boete, een Roomschen bijsmaak verkregen, en deed onwillekeurig denken aan eene straf, die door den priester opgelegd en door den boeteling betaald werd. Het mocht daarom nog geschikt wezen voor het berouw of den spijt, welke de zondaar soms om de gevolgen der zonde in zijn hart voelde opkomen; maar het was eene zeer onjuiste benaming voor dat hartelijke leedwezen over de zonde als zonde, dat alleen in den geloovige aangetroffen wordt. Hiervoor kwam dan ook spoedig een ander woord, het schoone woord resipiscentia in gebruik 3). Dit bracht nu weer tweeërlei gevolg mede: ten eerste de noodzakelijkheid, om het allereerste werk der genade met een anderen naam dan dien van poenitentia aan te duiden, en ten andere eene verandering in de beteekenis en de plaats der resipiscentia.

Wat het eerste betreft, Calvijn begon met het geloof als eerste genadeweldaad en vatte de wedergeboorte in ruimen zin op, als

') Zie mijn: Roeping en Wedergeboorte bl. 47—72.

2) Calvijn, Inst. III 3, 1. 2.

3) Bezd, Tract. theol. I 327 v. Musculus, Loei C. 1567 bl. 550. Ursinus, Explic. Catech. qu. 88—90. Junius, Theses theol. ed. Kuyper bl. 209. Amesius, Med. Theol. c. 26. Synopsis pur. theol. disp. 32.

Sluiten