Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet meer, gelijk de poenitentia vroeger, in het begin van de heilsorde behandeld worden noch ook de contritio en de fides tot deelen hebben, maar dan moest zij eerst later in de leer der dankbaarheid eene plaats ontvangen en daar als eene voortdurende afsterving van den ouden en als eene voortgaande opstanding van den nieuwen mensch omschreven worden ').

Ook in de leer der rechtvaardigmaking, ten slotte, kwamen sommige Gereformeerde theologen tot eene eenigszins andere voorstelling, dan die te voren algemeen was aangenomen. Toen n.1. het neonomisme van het geloof eene conditie maakte, die eerst vervuld moest worden, voordat er van vergeving der zonden sprake kon zijn, kwamen de anti-neonomianen daartegen in verzet, en betoogden, dat op die wijze aan de leer der vrije rechtvaardigmaking afbreuk werd gedaan. Geloof en bekeering konden en mochten geene wettische conditiƫn zijn, welke de mensch van zijn kant volbrengen moest, om de rechtvaardigmaking deelachtig te worden, want ze waren gaven des H. G-eestes, weldaden van het verbond der genade, vruchten van het werk van Christus. Maar dan was er ook geene gemeenschap aan die weldaden mogelijk, dan na en door gemeenschap aan den persoon van Christus. De toerekening van den persoon van Christus met al zijne weldaden ging dus aan de gave dier weldaden vooraf; de rechtvaardigmaking met andere woorden geschiedde niet uit of door, maar tot het geloof. Voordat de uitverkorenen het geloof ontvangen, zijn zij al gerechtvaardigd; ja zij ontvangen dit geloof juist, omdat zij reeds tevoren gerechtvaardigd zijn. Deze objectieve, actieve rechtvaardiging werd bekend gemaakt in het Evangelie, van Gen. 3:15 af, en in de opstanding van Christus, Rom. 4:25, maar was eigenlijk reeds geschied in het besluit der verkiezing, toen zij aan Christus en Christus aan hen geschonken was, toen hunne zonde aan Christus en zijne gerechtigheid aan hen was toegerekend. Ofschoon sommigen naar deze voorstelling van eene eeuwige rechtvaardigmaking gingen spreken, had dit toch weinig of geen invloed op de behandeling der heilsorde. De vrees voor het antinomisme, dat op grond van de eeuwige rechtvaardigmaking de voldoening van Christus bestreed, de natuur van het geloof veranderde en den usus normativus der wet ontkende, hield de Gereformeerde theologie

') Heid. Catech. Zondag 23. TJrsinus, Explic. Catech. aldaar. Beza, Tract. theol. I 327 y. Polanus, Synt. Theol. bi. 468.

Geref. Dogmatiek III. AQ

Sluiten