Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons onmogelijk zeggen, wat het onderscheid is tusschen waarachtige en schijnbekeering, tusschen droefheid naar de wereld en droefheid naar God ; waarom de bekeering bij dezen wel, bij een ander, die soms in veel gunstiger omstandigheden, bijv. in een vroom huisgezin leeft, niet plaats grijpt; waarom ze bij den een in deze periode van zijn leven, en bij een ander in eene veel vroegere of latere periode geschiedt; zij brengt immers van zichzelve geen maatstaf mede en weet van zichzelve niet, wat bekeering is — en wezen moet. Dat zegt ons God in zijne openbaring alleen, of anders zegt het ons niemand. Zeer aanmatigend is dan ook de bewering van sommige psychologen der religie, dat er in de bekeering alleen psychologische factoren werkzaam zijn en dat er voor een supranatureelen factor geene plaats is. Zij kan en mag hierover geene uitspraak doen, wijl zij alleen den buitenkant der religieuze verschijnselen waarneemt, maar hier evenmin als elders tot den diepsten en laatsten grond der verschijnselen doordringt. Het punt, waar het eindige het oneindige raakt en in het oneindige rust, is overal onaanwijsbaar; en wat er diep in de ziel, achter bewustzijn en wil, geschiedt, is voor den mensch zelf eene verborgenheid, hoeveel te meer voor hem, die er buiten staat en alleen op verschijnselen moet afgaan? De psychologie der religie toont dit zelve aan, als zij de schijnbaar plotselinge bekeeringen aanknoopt aan indrukken en ervaringen, die veel vroeger zijn gemaakt, en zij bevestigt daarmede de onderscheiding, die in de Christelijke kerken tusschen wedergeboorte en bekeering wordt aangenomen.

Als de psychologie der religie desniettemin aan haar vooropgezet dogma vasthoudt en alle religieuze verschijnselen bloot psychologisch tracht te verklaren, komt zij er toe, om in plaats daarvan het voorwerp van haar onderzoek te vernietigen, door het van zijn eigenlijk karakter te berooven. Onderstel bijvoorbeeld, dat zij het religieuze verschijnsel van het gebed onderzoekt; zij ontdekt dan terstond, dat dit gebed steeds en overal het geloof insluit, dat God bestaat als een persoonlijk God, die de bede hoort en ook verhooren kan. Als de psychologie der religie nu niet bij het constateeren van dit feit wil blijven staan, maar het ook psychologisch wil en meent te kunnen verklaren, dan maakt zij op datzelfde oogenblik zich schuldig aan miskenning van de natuur van het gebed. Evenals het erkenntnis-theoretisch idealisme, door uit de waarneming het daarin opgesloten geloof aan de realiteit der buitenwereld te verwijderen, de menschelijke kennis ondermijnt, zoo lost de psychologie

Sluiten