Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der religie, die aan de metaphysica haar bestaansrecht ontzegt, de religieuze verschijnselen in waanvoorstellingen op.

Hieruit wordt het verder duidelijk, dat de psychologie der religie langs den door haar ingeslagen weg nooit het recht, de waarheid en de waarde van de religie zal kunnen aantoonen. Zoolang wij n.1. in de religie, evenals ook in het recht, de moraal, de aesthese enz. niet alles voor waar en goed en schoon houden, maar ook abnormale en pathologische verschijnselen erkennen, gelijk James e. a. ook inderdaad doen, dan moeten wij ter beoordeeling öf een norma uit een ander gebied medebrengen öf zulk een norma aan de religieuze verschijnselen zelve trachten te ontleenen. Dit laatste is het streven van het zoogenaamde Pragmatisme, eene wijsgeerige richting, die ook James onder hare aanhangers telt. Niet de „roots" maar de „fruits" zullen den maatstaf vormen voor de waarheid en het recht der religieuze verschijnselen. De religie behoort tot de „sthenic affections"; ze is eene levenskracht, eene van „the most important biological functions of mankind". Het komt bij haar niet zoozeer daarop aan, wat G-od is, als wel, hoe Hij door ons gebruikt wordt. „Not G-od, but life, more life ... is the end of religion. God is not known, He is used". Door zulk eene levenskracht te zijn en te oefenen, bewijst de religie hare waarheid en haar recht.

Dit is een opmerkelijk standpunt, in zoover James hierin lijnrecht tegenover Kant positie neemt, bij wien hij zich overigens nauw aansluit. Want Kant trachtte de deugd volkomen van alle eudaemonie te bevrijden. Maar hier wordt godsdienst en deugd ons juist aanbevolen om hunne bevordering van het algemeene welzijn, om hunne sociale nuttigheid. Toch komt James ook met deze utilistische norma de moeielijkheid niet te boven. Want als enkel en alleen de levenskracht over de waarheid en het recht van den godsdienst beslist, blijft het eene nimmer door historisch onderzoek te beantwoorden vraag, of Mohammedanisme en Boeddhisme niet sterker staan dan het Christendom, en of het bijgeloof, dat onder alle godsdiensten bij een groot deel van het volk voortleeft, het niet van eene gezuiverde religie wint. Maar daarvan afgezien, ook bij de beoordeeling van wat levenskracht, en bevordering van het algemeen welzijn is, kan men een vasten maatstaf niet missen. Want bij de levenskracht komt het toch niet louter op sterkte, kracht, bruut geweld, doch ook weder op den inhoud aan. Als „waarde" het bewijs der „waarheid" zal zijn, dan moet over die

Sluiten