Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit verbond, ofschoon eerst in den tijd in het Evangelie geopenbaard, heeft zijn grondslag reeds in de eeuwigheid; het rust in het welbehagen, in den raad Gods. Christus werd van eeuwigheid tot middelaar van dat verbond geordineerd, en kon daarom in den tijd plaatsvervangend voor de zijnen voldoen. Er heeft dus reeds in de eeuwigheid eene toerekening van Christus aan zijne gemeente en van de gemeente aan Christus plaats gehad; er is tusschen beiden eene uitwisseling geschied en eene unio mystica gesloten, welke aan de realiseering daarvan in de historie ten grondslag ligt, ja deze voortbrengt en leidt. In den strijd tegen het neonomisme zijn enkele Gereformeerden daarom van eene eeuwige rechtvaardigmaking of van eene rechtvaardigmaking van eeuwigheid gaan spreken. De zaak, welke men er door uitdrukken wil, wordt door allen erkend, want Christus heeft zich metterdaad in den raad des vredes van eeuwigheid voor zijn volk tot borg gesteld, hun schuld op zich genomen, en zijne gerechtigheid hun toegerekend. Maar de naam, die men voor deze zaak koos, ontmoette steeds bij velen bezwaar; want niet alleen gaf men aan de rechtvaardigmaking een gansch anderen zin, dan die er van ouds mede verbonden werd, maar men verloor er ook het onderscheid mede uit het oog, dat tusschen het besluit en zijne uitvoering, tusschen den actus immanens en den actus transiens bestaat. Bovendien, zelfs in het besluit beschouwd, gaat logisch de voldoening van Christus voor de zijnen zonder twijfel aan de vergeving hunner zonden en de toekenning van het recht ten eeuwigen leven vooraf. Wie deze orde omkeerde, zou immers feitelijk de voldoening van Christus overbodig maken en den weg van het antinomisme inslaan. Daartegen waren de Gereformeerden, zoowel als tegen het nomisme, steeds op hunne hoede. Zelfs zij, die onder de Gereformeerde theologen eene eeuwige rechtvaardigmaking aannamen, zeiden toch nooit, dat de uitwisseling van Christus en zijne gemeente in het pactum salutis reeds de gansche, volle rechtvaardigmaking was. Maar zij hielden haar voor het eerste moment en verklaarden uitdrukkelijk, dat deze rechtvaardigmaking van eeuwigheid in de opstanding van Christus, in het Evangelie, in de roeping, in het getuigenis des H. Geestes door het geloof en uit de werken, en ten slotte in het laatste oordeel herhaald, voortgezet, voltooid moest worden. Niemand hunner heeft dan ook de rechtvaardigmaking behandeld of afgehandeld in den locus over den raad Gods of het verbond der verlossing, maar zij hebben haar allen in de

Sluiten