Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heilsorde soms als justificatio activa vóór en als justificatio passiva na het geloof, of ook geheel na het geloof ter sprake gebracht. 'Desniettemin is het van het hoogste belang, de Gereformeerde gedachte vast te houden, dat alle weldaden van het genadeverbond vastliggen in de eeuwigheid. Het is Gods verkiezende liefde, het is meer bepaald des Vaders welbehagen, uit hetwelk zij alle der gemeente toevloeien.

Ten tweede mag er op Christelijk standpunt geen twijfel over bestaan, dat alle weldaden der genade volkomen en alleen door Christus verworven zijn, dat zij dus in zijn persoon besloten zijn en in Hem voor zijne gemeente gereed liggen. Er behoeft van de zijde des menschen niets aan toegevoegd te worden, want alles is volbracht. En wijl deze weldaden alle verbondsweldaden zijn, in den weg des verbonds verworven zijn, en ook in dienzelfden weg worden uitgedeeld, daarom is er geene gemeenschap aan die weldaden dan door gemeenschap aan den persoon van Christus, die ze als Middelaar des verbonds verwierf en toepast. Het verbond der genade, de unio mystica, de toerekening van Christus aan zijne gemeente en van de gemeente aan Christus, welke alle wortelen in de eeuwigheid, realiseeren zich in den tijd allereerst objectief in den persoon van Christus, die voor en met zijne gemeente gekruisigd, begraven, opgewekt en verheerlijkt werd. De schenking van Christus aan de gemeente gaat dus ook in dezen zin aan hare aanneming van Christus door het geloof vooraf. Hoe zouden wij anders ook den Heiligen Geest, de genade der wedergeboorte, de gave des geloofs ontvangen kunnen, die immers alle door Christus verworven en zijn eigendom zijn? Het is dus niet zoo, dat wij eerst buiten Christus om ons bekeeren of ook door den H. Geest worden wedergeboren en het geloof ontvangen, om dan daarmede tot Christus te gaan, zijne gerechtigheid aan te nemen en alzoo door God gerechtvaardigd te worden. Maar evenals uit het welbehagen des Vaders, zoo komen nu voorts uit de volheid van Christus alle weldaden der genade ons toe. Toch is evenals boven tusschen het besluit en zijne uitvoering, zoo ook hier tusschen de verwerving en de toepassing der zaligheid onderscheid te maken. Kaftan maakt wel de juiste opmerking, dat de objectieve en subjectieve heilsleer niet gescheiden mag worden. Maar, behalve dat onderscheiding heel iets anders dan scheiding is, vloeit deze opmerking bij Kaftan uit eene eigenaardige opvatting der heilsweldaden voort. Rechtvaardiging (met verzoening gelijk gesteld) en

Sluiten