Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pelagius en Kant uit zijn plicht tot zijne macht te besluiten ; ook daarin erkent hij, dat Gods recht en onze plicht onverzwakt blijven bestaan, en dat hij zelf onontschuldigbaar is x). Eindelijk nog 8° is de roeping niet alleen eene gratia reprimens, maar ook eene gratia praeparans. Christus is tot eene xgioig, tot een val, maar ook tot eene opstanding in de wereld gekomen, Mk. 4 : 12, Luk. 2 : 34, 8: 10, Joh. 9 : 39, 15 : 22, 2 Cor. 2 : 16, 1 Petr. 2: 7, 8. En de roeping door wet en Evangelie bedoelt ook, om door al wat zij schenkt en werkt, in de menschheid en in den enkelen mensch de komst van Christus voor te bereiden. In Remonstrantschen zin 2) werd zulk eene gratia praeparans door de Gereformeerden beslist ontkend 3). Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, is wezenlijk verschillend van het natuurlijk en zedelijk loven, dat eraan voorafgaat; het komt niet door menschelijke werkzaamheid of evolutie maar door eene scheppende daad Gods tot stand. Sommigen noemden daarom de werkzaamheden, die aan de wedergeboorte voorafgaan, liever actus antecedanei dan actus praeparatorii. Maar toch kan er in goeden zin van gratia praeparans gesproken worden ; tegenover alle methodistische richtingen, die het natuurlijke leven miskennen, is ze zelfs van uitnemende waarde. AVant de belijdenis der voorbereidende genade houdt niet in, dat de mensch, door te doen quod in se est, door vlijtig ter kerk te gaan, met ernst naar Gods woord te hooren, zijne zonde te erkennen, naar verlossing te verlangen enz., volgens een meritum de congruo, de genade der wedergeboorte verdienen of ook zich voor haar ontvankelijk en vatbaar maken kan. Maar zij houdt in, dat God Schepper, Onderhouder en Regeerder aller dingen is en dat Hij zelfs verre van te voren in de geslachten het leven schikt van hen, die Hij

') Verg. over wezen en vrucht der uitwendige roeping de reeds vroeger deel I 311 v. en deel III 224 v. over de algemeene genade aangehaalde litteratuur, en voorts nog: Twissus, Op. I 660 v. Trigland, Opuscula I 430 v. II 809 v. Gomarus, Op. I 97 v. Synopsis pur. theol. 30, 40—46. Voetius, Disp. II 256. Mastricht, Theol. VI 2, 16. Turretinus, Theol. El. XV qu. 2 en ook XIV 14, 51. Witsius, Oec. foed. II 9, 4. III 5, 20. Heidegger, Corp. Theol. XXI 9—11. Alting, Theol. probl. bl. 187. De Moor, Comm. III 1071. Hodge, Syst. Theol. II 641 v. Shedd, Dogm. Theol. I 451, II 482 v. Candlish, The atonetnent 1861 bl. 169 v. A. Robertson, Hist. of the atonement controversy in conn. with the secession church 1846.

*) Conf. Rem. en Apol. Conf. XI 4

3) Can. Dordr. I verw. 4. Trigland, Antapol. c. 25 v. Maccovius, Loei C. bl. 699 v. Mastricht, Theol. VI 3, 19—28. Witsius, Oec. foed. III 6, 9.

Sluiten