Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die leidingen, beperken Gods genade, willen allen bekeeren en vormen naar één type. Maar de Gereformeerde theologie eerbiedigt de vrijmacht Gods en bewondert den rijkdom zijner genade 1).

485. Schrift en ervaring getuigen echter, dat al deze werkingen der vocatio externa niet altijd en bij allen tot het oprecht geloot en de zaligheid leiden. Vanzelf rijst dus de vraag, wat de diepste en laatste oorzaak van die verschillende uitkomst is. Daarop werd in de Christelijke kerk in hoofdzaak drieërlei antwoord gegeven. Sommigen zeiden, dat die verschillende uitkomst te danken was aan den wil des menschen, hetzij die wil van nature óf door de genade van den Logos öf door die in den doop óf ook door die in de roeping de kracht ontvangen had, om het Evangelie aan te nemen of te verwerpen. Op dit standpunt is er geen onderscheid van vocatio esterna en interna, van vocatio sufficiens en efficax. Innerlijk en wezenlijk is de roeping altijd en bij allen dezelfde; zij heet alleen efficax naar de uitkomst, als iemand haar gehoor geeft. Na al wat vroeger 2) over het pelagianisme gezegd is, behoeft dit antwoord geen breedvoerige weerlegging meer. Het is duidelijk, dat het geen oplossing biedt. Men kan wel in de practijk bij de naaste oorzaak blijven staan en bepaaldelijk het ongeloof toeschrijven aan den wil van den mensch. Men spreekt dan ook naar waarheid, Deut. 30: 19, Jos. 24 :15, Jes. 65 :12, Mt. 22 : 2, 23 : 37, Joh. 7 :17, Rom. 9:32 enz.; de zondige wil van den mensch is oorzaak van zijn ongeloof. Maar reeds in de practijk schrijven alle vromen ten allen tijde en onder alle richtingen hun geloof en zaligheid alleen aan Gods genade toe 3). Er is niets, dat hen onderscheidt dan die

*) Over de gratia praeparans is gehandeld door Musculus, Loei Comm. § 24, Petrus Martyr, Loei C. bi. 312. Ursinus, Explie. Catech. qu. 88-90. Olevianus, e. a. bij Seppe, Dogm. d. d. Protest. II 372. Perkins, Werken III 127 v. Amesius, Casus Conc. II 4 en disp. theol. de praeparatione peccatoris ad conversionem, bij H. Visscher, G. Amesius 1894 bl. 125. Maccovius bij A. Kuyper Jr„ Joh. Maccovius bl. 57, 339 v- 352 v. De Britsche theologen op de Dordsche Synode over het derde en vierde artikel. Synopsis pur. theol, 32, 6. Witsius, Oec. foed. III 6, 11—15. Voetius, Disp. II 402—424. De Moor, Comm. IV 482. M. Yitringa, Het geestelijk leven c. 4. Eenhoorn, elleven I 220. Vun Aalst, Geestelijke Mengelstoffen, bl. 298, 369. Comrie, Catech. op vr. 20—23. Owen, Rechtv. uit het geloof c. 1 bl. 83 v. Kuyper, Het werk v. d. H. Geest II 111. H. Bavinck, Roeping en wedergeboorte bl. 137 v.

2) Verg. deel II 389 v. deel III 575 v. 650 v.

3) Verg. deel II 391.

Sluiten