Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch in het eene oogenblik niet, in liet andere wel geschikt is om de genade aan te nemen, zoekt de zonde das in de omstandigheden en verzwakt die in den mensch; verder legt zij de beslissing in den wil des menschen en roept daardoor al de bekenkingen weer op, die boven genoemd en door Bellarminus zeiven tegen het pelagianisme ingebracht werden; en eindelijk legt zij tusschen roeping en bekeering slechts een verband van congruitas, dat als zedelijk van aard steeds door den wil verbroken kan worden en daarom de efficacia der roeping niet waarborgen kan. Daarom werd door de Augustinianen, de Thomisten en Gereformeerden de oorzaak, waardoor de roeping bij den een vrucht droeg en bij den ander niet, in den aard der roeping zelve gezocht. De eersten zeiden, dat er, ingeval de roeping krachtdadig is, eene delectatio victrix bijkwam, die niet alleen het posse maar ook het veile schonk; de Thomisten spraken van eene physica praedeterminatio of actio Dei physica, welke het posse agere, door de vocatio sufficiens geschonken, in een agere deed overgaan 1), maar de Gereformeerden hadden tegen deze termen bezwaar, vooral tegen de omschrijving van de daad Gods in de bekeering als eene physische, en spraken liever van eene vocatio externa en interna. Deze onderscheiding komt reeds bij Augustinus voor 2), werd van hem overgenomen door Calvijn 3), en dan ingeburgerd in de Geref. theologie. Eerst werd deze tweeërlei roeping ook nog wel anders genoemd, n.1. vocatio materialis en formalis, signi en beneplaciti, communis en singularis, universalis en specialis enz. 4), maar de naam van uit- en inwendige roeping kreeg de overhand en heeft allengs de andere verdrongen.

Al komt deze onderscheiding nu met letterlijke woorden in de Schrift niet voor, zij is toch op haar gegrond. Zij vloeit 1° reeds daaruit voort, dat alle menschen van nature gelijk zijn, verdoemelijk voor Gods aangezicht, Rom. 3:9—19, 5:12, 9:21, 11:32, dood in zonden en misdaden, Ef. 2:2, 3, verduisterd in het verstand, 1 Cor. 2 : 14, Ef. 4:18, 5 :8, het koninkrijk Gods niet kunnende zien, Joh. 3 : 3, slaven der zonde, Joh. 8: 34, Rom. 6 : 20, vijanden Gods, Rom. 8 : 7, Col. 1: 21, die zich der wet niet kunnen onderwerpen, Rom. 8 : 7, uit zichzelven niets goeds kunnen denken

*) Over Augustianen en Thomisten werd reeds vroeger gehandeld, deel III 583.

2) Augustinus, de praed. sanct. c. 8,

3) Calvijn, op Rom. 10: 16. Acta Syn. Trid. c. antidoto, sess. 6, Corpus Ref.. XXXV 480. Inst. III 24, 8 enz.

4) Polanus, Synt. Theol. VI c. 32. M. Vitringa, Doctr. III 156.

Sluiten