Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of doen, Joh. 15:5, 2 Cor. 3:5, en, ofschoon het Evangelie voor den mensch is, toch er vijandig tegenover staan en het als een ■ergernis of dwaasheid verachten, 1 Cor. 1: 28, 2 :14. Uit den mensch is daarom het onderscheid niet te verklaren, dat na de roeping waartenemen valt. Alleen God en zijne genade maakt onderscheid, 1 Cor. 4:7. 2° De prediking des Woords is zonder meer niet voldoende, Jes. 6 : 9, 10, 53 : 1, Mt. 13 : 13v. Mk. 4 : 12, Joh. 12 : 38-40 enz.; reeds in het O. T. werd daarom de H. Geest beloofd, die allen leeren en een nieuw hart schenken zou, Jes. 32 :15, Jer. 37 : 33, 32:39, Ezech. 11:19, 36:26, Joël 2:28; en daartoe werd Hij op den pinksterdag uitgestort, om met en door de apostelen te getuigen van Christus, Joh. 15:26, 27, om de wereld te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, Joh. 16:8—11, om te wederbaren, Joh. 3 : 5v., 6 : 63, 16 : 13, en te leiden tot de belijdenis van Jezus als den Heere, 1 Cor. 12:3. Daarom wordt 3» het werk der verlossing zoowel subjectief als objectief geheel aan God toegeschreven, en wel niet in algemeenen zin, zooals Hij door zijne voorzienigheid alle dingen voortbrengt, maar bepaaldelijk ook in dien engeren zin, dat Hij door bijzondere Goddelijke kracht de wedergeboorte en bekeering werkt. Het is niet desgenen, die wil noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods, Rom. 9 :16; de roeping is realiseering der verkiezing, Rom. 8 : 2S, 11: 29. Het is God, die het hart vernieuwt en er zijne wet in schrijft, Ps. 51:12, Jer. 31: 33, Ezech. 36 : 26, die verlichte oogen des verstands geeft, Ps. 119 : 18, Ef. 1:18, Col. 1: 9—11, en het hart opent, Hd. 16 :14, die zijnen Zoon als Christus kennen doet, Mt. 11: 25, 16 : 17, Gal. 1:16, en tot Hem henenleidt met geestelijke kracht, Joh. 6 :44, Col. 1: 12, 13, die het Evangelie prediken doet, niet alleen in woorden, maar ook in kracht en in den H. Geest, 1 Cor. 2 :4, 1 Thess. 1:5, 6, en zelf den wasdom geeft, 1 Cor. 3:6—9, die in één woord in ons werkt beide het willen en het werken naar zijn welbehagen, Phil. 2:13, en daartoe eene kracht bezigt, welke gelijk is aan de werking der sterkte zijner macht, als Hij Christus uit de dooden opgewekt en gezet heeft aan zijne rechterhand, Ef.

1 ; 18 20. 4° De daad zelve, waardoor God deze verandering in

den mensch teweegbrengt, heet dikwerf wedergeboorte, Joh. 1:13, 3 : 3v., Tit. 3 : 5 enz., en de vrucht daarvan wordt aangeduid a s een ni'euw hart, Jer. 31: 33, xaivrj xnaig, 2 Cor. 5 :17, öeov noya, xtiatevrcg èv Xqigko Irjaov, Ef. 2: 10, ro sQyov rov Veov, Rom. 14:20, zijne oWoW, 1 Cor. 3:9, Ef. 2:21 enz., dat is, wat er

Sluiten