Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Phrygië heen naar Rome kwam en daar in de derde eeuw na Christus zijn hoogtepunt bereikte. Middelpunt van dezen dienst was de dooding van een stier door den als een jeugdigen god voorgestelden Mithra. Van dien stier ving de ingewijde het bloed op; hij liet het druppelen op zijn hoofd, zijne lippen, oogen, ooren, wangen, hij dronk het zelfs in en bood zich dan aan de menigte ter vereering aan, want door met het bloed zich te doopen, was hij gereinigd, der godheid gelijk, en in aeternum renatus. Natuurlijk maakten deze mysteriën op de deelnemers en toeschouwers een zeer verschillenden indruk. Sommigen zagen er niet meer dan een natuur-

mythe in, die het sterven en herleven der levenskracht aanschouwelijk

voorstelde. Anderen legden er een geestelijken zin in, en dachten daarbij aan het proces van dood en opstanding, dat ieder mensch, de gansche menschheid en heel de wereld door moet maken, om de onsterfelijkheid, het eeuwige leven, het goddelijk zijn deelachtig te worden 1).

Nu is in den laatsten tijd door de voorstanders der religionsgeschichtliche methode beweerd, dat het Christendom eene syncretistische religie is en niet alleen in zijne latere dogmenvorming, maar ook reeds in zijne eerste leerontwikkeling den invloed van deze heidensche mysteriën heeft ondergaan. Natuurlijk kan dit gewichtige vraagstuk hier niet behandeld worden 2), maar ten aanzien van de idee der wedergeboorte mist de bewering in elk geval genoegzamen grond. Ten eerste toch is het reeds opmerkelijk, dat het woord nahvysvsaia in het N. Test. slechts tweemaal, Mt. 19 ; 28 en Tit. 3 : 5, voorkomt, en dat men bij Mt. 19 : 28 nog te bedenken heeft, dat wij niet weten, hoe Jezus in het Arameesch die gedachte heeft uitgedrukt, welke de evangelist in het Griekschdoor nahvysvsaia heeft weergegeven. Voorts is de idee der wedergeboorte in de mysteriën steeds met ceremoniëele of zelfs sacramenteele handelingen verbonden, maar in de Schrift komt ze herhaaldelijk op zichzelve zonder dergelijk verband ter sprake, Joh. 8 : 3, 5, Jak. 1 : 17, 1 Petr. 1:3, 23; zelfs in Tit. 3 : 15 is de verbinding met of de zinspeling op den doop nog onzeker. Alverder draagt de verklaring

*) Cumont, Die orientalischen Eeligionen im Röm. Heidentum, Deutsche^Ausg. von G. Gehrich. Teubner 1910 passim, vooral 80-82. Staerk, Neut. Zeitgêsch. I 99 v. Feiten, Neut. Zeitg. II. 542—553. Gennrich, Lehre v. d. Wiedergeburt bl. 39-41.

2) Verg. het vroeger daarover gezegde, deel III 284 v.

Geref. Dogmatiek IV. n

Sluiten