Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vele gebruiken in de mysteriën, o. a. van het dooden van den Mitlirastier, nog een zeer problematisch karakter; ja onze kennis van de mysteriën berust voor een groot deel op getuigenissen uit de 2° tot 4° eeuw na Christus, toen ze eerst in het Romeinsche rijk tot bloei kwamen; de mogelijkheid is dus niet uitgesloten, dat het Christendom van zijne zijde op de verklaring der mysteriën invloed heeft geoefend. In elk geval, als het oorspronkelijk Christendom zich onder inwerking van de mysteriën gevormd had, dan zou deze reeds in Palestina, bij Paulus, Johannes, en bij heel de gemeente van dien tijd begonnen moeten zijn, maar hiervoor ontbreekt alle bewijs. Het geloof der eerste Christelijke gemeente sluit zich bij den persoon van Christus aan, maar staat van den beginne af antithetisch tegenover den ganschen heidenschen godsdienst. Eindelijk nog, het Nieuwe Testament bedient zich doorgaans van diezelfde woorden, welke in het gewone G-rieksch van dien tijd gebruikelijk waren; hoe zou het Evangelie anders ook gehoor en ingang hebben kunnen vinden? Maar het verbindt met die woorden dikwerf een anderen, dieperen zin, en maakt dien langzamerhand tot inhoud van het menschelijk bewustzijn. Dat is het geval met woorden als gmtrjqia, fwy, (xtzoXvtquxjis enz., en ook met de idee der wedergeboorte, die in de Schrift slechts tweemaal door TtuXivysvsaia, en overigens door vele andere woorden uitgedrukt wordt.

437. De gedachte wortelt reeds in het Oude Testament. Het woord nciliv/svsGicc komt in de LXX. niet voor, behalve dat Job in 14: 14 zegt: vnofisvw toog nu/.tv yevoofiai. Maar zakelijk treffen wij de wedergeboorte reeds duidelijk in de Israelietische religie aan. Geheel in overeenstemming met de Oudtestamentische bedeeling is deze in de eerste plaats eene zaak van heel het volk; bij de wetgeving en later in de profetie is het woord allereerst tot het gansche volk gericht, dat God in zijn verbond heeft opgenomen, en wordt dit volk op grond van dit verbond voor den eisch gesteld, om den Heere te dienen met hun gansche hart en met hunne gansche ziel, Deut. 11:13, Joz. 22 : 5. Maar naarmate in de historie de afval, de ontrouw, de hardigheid des harten van het volk aan het licht trad, werd er door de profeten te sterker de nadruk op gelegd, dat er eene innerlijke verandering moest plaats hebben, niet alleen bij het volk in zijn geheel, maar ook bij ieder lid van dat volk in het bijzonder. En daartoe was de mensch uit zichzelven onbekwaam, Gen. 6:5, 8:21, Job 14:4, 15:16, Ps. 51: 5. Zoomin als een

Sluiten