Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren, zijn zij thans het waarachtige leven deelachtig en hebben zij een eeuwig leven te wachten, Mt. 8 : 22, Luk. 15 : 24, 18 : 30.

In dit gansche onderwijs van Christus, gelijk het in de eerste drie Evangeliën is vervat, komt het woord wedergeboorte niet voor, maar de zaak wordt er klaar in voorgesteld. Als Jezus dus in zijn gesprek met Nicodemus zegt, dat niemand het koninkrijk Gods kan zien, tenzij hij wederom (van boven), uit water en Geest geboren wordt, Joh. 3 : 3—8, dan komt Hij met het onderwijs in de andere Evangeliën niet in strijd, maar vat Hij tegenover den leeraar Nicodemus slechts kort en scherp te zamen, wat Hij elders breeder en in meer populairen vorm heeft uiteengezet. Nicodemus was n.L een aanzienlijk man, een leeraar Israels, een lid van don hoogen raad; hij had van Jezus' wonderen gehoord en hield Hem op grond daarvan voor een leeraar, door God gezonden; maar hij verkeerde nog in twijfel of Jezus de Messias was, en begaf zich daarom, om der Joden wil des nachts, tot Jezus, ten einde door een vertrouwelijk gesprek met Hem tot zekerheid te komen. Nikodemus begon het gesprek dan ook met de erkentenis, dat hij Jezus voor een leeraar hield, die van God gekomen en tot zijne werken door God bekwaamd was, en hij wilde daaraan blijkbaar de vraag verbinden, wat een mensch doen moet, om het koninkrijk der hemelen in te gaan. Maar Jezus laat hem den tijd niet tot het stellen van die vraag, en antwoordt terstond: voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij iemand geboren worde van boven, kan hij het koninkrijk Gods niet zien. En Hij snijdt daarmede bij Nicodemus in eens alle menschenwerk, alle Farizeesche wetsonderhouding als weg tot het koninkrijk onverbiddelijk af.

Daarom spreekt Jezus ook niet letterlijk van een wederom (ten tweeden male, van nieuws) geboren worden, maar van een geboren worden van boven. De nadruk valt niet daarop, dat er voor den ingang in het koninkrijk eene tweede geboorte noodig is (ofschoon de wedergeboorte natuurlijk ook zoo heeten kan), maar Jezus wil tegenover Nicodemus vooral in het licht stellen, dat alleen eene geboorte van boven, vs. 3, uit water en Geest, vs. 5, uit den Geest, vs. 8, den toegang tot het koninkrijk ontsluit. Deze geboorte staat tegenover die uit het vleesch, want wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, vs. 6; zij is niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God, Joh. 1:13. Daarom is zij even onbegrijpelijk in haar oorsprong en richting, als de wind, maar zij is niettemin mogelijk, want zij is eene geboorte uit den

Sluiten