Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geest, vs. 8. Nadat Jezus eerst in het algemeen gezegd had, dat zij eene geboorte is uit water en Geest (beide zonder lidwoord), vs. 5, spreekt Hij in vs. 7 en 8 bepaaldelijk van den Geest (met het lidr woord), om te kennen te geven, dat deze Geest, als de Geest Gods, dit groote werk der geboorte van boven tot stand brengen kan. Bij het water in vs. 5, denkt Jezus dan ook niet aan den doop, maar Hij omschrijft daarmede de natuur der geboorte van boven, het is eene geboorte, die het karakter van eene vernieuwing en reiniging draagt (waarvan het water beeld is, Ezech. 36:25; verg. de verbinding van Geest en vuur, Mt. 3:11), en aan een nieuw, geestelijk leven het aanzijn schenkt. En dat kan deze geboorte van boven bewerken, omdat zij eene geboorte uit den Geest, uit God zei ven is, vs. 6—8.

438. Ook de apostelen spreken menigmaal van de wedergeboorte, maar duiden deze met verschillende woorden aan, en vatten ze nu eens in ruimer dan in enger zin op. Jakobus zegt in c. 1:18, dat God ons naar zijn wil gebaard, voortgebracht heeft, drctxvrjasv (cf. hetzelfde woord in vs. 15: de zonde, voleindigd zijnde, baart den dood), opdat wij eerstelingen zijner schepping zouden zijn. Dit ujToxveiv heeft zijne oorzaak in den wil Gods, van wien alle goede gaven en volmaakte giften nederdalen, en die het grootste bewijs van zijne vaderlijke liefde daarin geeft, dat Hij ons als zijn volk voortgebracht heeft. Het kwam tot stand door middel van het woord der waarheid, (of alleen de waarheid 3 :14, 5 :19, of ook de volmaakte wet, de wet der vrijheid, de koninklijke wet, 1:25, 2:8, 12), dat niet buiten en tegenover ons is blijven staan, zoodat we er alleen hoorders van zijn, maar dat in ons geplant is, volgens Hebr. 8 :10, 9 :16 in de tafelen van ons hart geschreven is, en dus onze zielen kan zalig maken, 1: 21. En het doel van dit voortbrengen ligt daarin, dat de Christenen de eerstelingen van Gods schepping zouden zijn, dat is, het ware Israël, het bijzonder eigendom Gods, gelijk het volk Israels dat was in de dagen des Ouden Testaments, Ex. 19 : 5, Deut. 7:6, 14 : 2, 26 :18, Ps. 135 : 4, Jes. 43 : 21, Mal. 3:17, cf. 1 Petr. 1:23, 2:9, en als zoodanig de eerstelingen van het koninkrijk, dat God over heel de schepping oprichten zal, cf. Rom. 8 :19—23, Hebr. 12 : 23. Petrus bedient zich van het woord «vaysvvctv, dat in het gewone Grieksch niet gebruikelijk was, (ofschoon Philo eene enkele maal TicckivysveGig met ccvayevvrjaig afwisselt «n Porphyrius eens het adjectief dvayervrjnxog bezigt), en dat letterlijk

Sluiten