Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gal. 4:19; Christus leeft in hen, en zij leven in Christus, Gal. 2 : 20. Wijl Christus echter door zijne opstanding geworden is tot levendmakenden Geest, 1 Cor. 15:45, 2 Cor. 3: 17, kan dit ook zoo worden uitgedrukt, dat zij den Geest van Christus ontvangen hebben, Rom. 5:5, 8:15, 1 Cor. 2:12, 2 Cor. 11:4, Gal. 3:2, 4:5, 5:18, dat de Geest in hen woont, Rom. 8:11, en dat zij in den Geest leven en naar dien Geest wandelen, Rom. 8:1, 4, 5, 9, enz. Door het geloof is Christus of zijn Geest in de geroepenen de auteur en de oorsprong van een nieuw leven, Gal. 3:2, 4:6, zoodat zij nu gansch andere, nieuwe, geestelijke mensehen zijn. Het oude is voorbijgegaan, en het is alles nieuw geworden, 2 Cor. 5.17. Zij zijn uit den dood overgegaan in het leven, Ef. 2:5, 5 .14, Col. 3:2; zij zijn aan vleesch en wereld gekruisigd, Gal. 5 :24, 6:14; zij leven zei ven niet meer, doch Christus leeft in hen, Gal. 2 :20; ze zijn een nieuw schepsel, 2 Cor. 5:17, Gods maaksel, Ef. 2 :10, wandelen in nieuwigheid des levens, zijn tempelen van en worden geleid door den Heiligen Geest, Rom. 6 : 4, 8 :14, 1 Cor. 6.19, Gal. 5:25, enz. En heel deze verandering nam objectief voor hen gestalte aan in den doop; deze was voor hen het groote keerpunt in hun leven, de breuk met heel hun vorige wandeling, de volkomen overgave aan Christus en zijn dienst, maar van Gods zijde ook de verzegeling, dat zij in de gemeenschap met Christus opgenomen en al zijne weldaden deelachtig waren, Rom. 6: 3 v. Gal. 6:27. Het woord wedergeboorte moge daarom bij Paulus slechts eenmaal voorkomen; zakelijk ligt zij bij hem opgesloten in de krachtdadige roeping, waarmede Christus de tevoren gekenden tot ééne plante met zichzelven heeft gemaakt in de gelijkmaking zijns doods en zijner opstanding, Rom. 6 :5.

Nog meer dan bij Paulus neemt de wedergeboorte bij Johannes eene centrale plaats in. Wat n.1. uit vleesch geboren is, dat is vleesch, 3:6, en staat vijandig tegen God over. Zulken, die alleen op natuurlijke wijze geboren zijn, 1:13, zijn uit, 8:23, 15 :19, en behooren tot de wereld, 14:17, 19, 22 enz., zijn van beneden, 8 : 23, uit den duivel, 8 : 44, begrijpen het licht van den Logos niet, 1. 5, nemen Hem niet aan, 1:11, hebben de duisternis liever dan het licht, 3 : 19, 20, hooren niet, 8: 47, kennen God niet, 8: 19, 15: 21, zien het koninkrijk Gods niet, 3: 3, wandelen in de duisternis, 12 : 35, haten het licht, 3 : 20, en zijn dienstknechten der zonde, 8: 34. Zij kunnen ook het koninkrijk Gods niet zien, 3: 3, niet gelooven, 5 : 44, 12 : 39, niet het woord Gods hooren, 8 : 43,

Sluiten