Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is, waarvan het geloovig hooren en aannemen van Jezus' woord het gevolg is; soms treedt die andere zijde meer op den voorgrond, waarnaar ze de ontplooiing en ontwikkeling van dat nieuwe leven is. Maar beide zijn toch ten innigste verbonden, en hooren in het ééne begrip der wedergeboorte onafscheidelijk bijeen. Er is echter ééne plaats, waarin aan het woord wedergeboorte eene veel ruimere beteekenis gegeven wordt. In Mt. 19 :28 zegt Jezus, dat de twaalf discipelen, die alles verlaten hadden en Hem gevolgd waren, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, ook zitten zullen op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israels. Het ontbreken van alle nadere bepaling bewijst, dat het woord, dat Jezus in het Arameesch gebruikte, eene bekende zaak moet hebben aangeduid. En dat was ook het geval. De Oudtestamentische profetie verwachtte reeds aan het einde der dagen eene vernieuwing van hemel en aarde, Jes. 11 : 1—9, 65 : 17—25, 66 : 22 enz., en deze verwachting ging over in de apocriefe litteratuur en in het geloof van heel het Joodsche volk 1). Het Messiasrijk zou ook eene verandering in de natuur en in alle aardsche verhoudingen medebrengen. Jezus bevestigt deze verwachting, evenals ook de apostelen later doen, 2 Petr. 3 : 10—13, Op. 21 : 1, 5, en duidt deze verandering als eene wedergeboorte aan. Indien wij deze beteekenis met de bovengenoemde verbinden, dan blijkt, dat de Schrift van de wedergeboorte voornamelijk in drieërlei zin spreekt: als beginsel des nieuwen levens, dat door den Greest Gods vóór het geloof in den mensch geplant wordt, als de zedelijke vernieuwing des menschen, gelijk die zich in heiligen wandel openbaart, en eindelijk als herstelling van de gansche wereld in hare oorspronkelijke volkomenheid. Zoo omvat de wedergeboorte het gansche werk der herschepping, van haar allereersten aanvang in het hart des menschen af tot hare voltooiing in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde toe.

439. De bekeering, welke door de prediking van het Evangelie in de wereld bewerkt werd, bracht natuurlijk in den eersten tijd bij allen die het Evangelie aannamen, eene groote uitwendige verandering mede; zij ging verzeld van en openbaarde haar ernst en waarheid in een volkomen breken met Jodendom of Heidendom en in een zich voegen tot de arme en eenvoudige gemeente van Chris-

') Web er, Syst. der altsyn. pal. Theol. bl. 380 v.

Sluiten