Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tus. De doop maakte eene diepe Move tusschen het eertijds en het thans. Vandaar dat velen telkens getuigen van den grooten omkeer, die er in hun leven plaats greep; zij verheugen zich over de verlossing uit hunne vorige ijdele wandeling en over de vrijheid van het kindschap Gods, waarin zij thans door Christus gesteld zijn. De Christenen voelden zich een eigen, uitverkoren volk, een nieuw geslacht, nieuwe schepselen, die in Christus het waarachtige leven «n de gemeenschap met God deelachtig zijn l). De wedergeboorte was eene gebeurtenis, welke zij in hun eigen ziel doorleefd hadden; maar zij kwam, zoodra men er over denken en schrijven ging, tekort. Gewoonlijk bleef men in de theorie bij de eischen des Evangelies, geloof en bekeering, staan, en drong tot de inwendige, verborgene werking des Geestes, die daarachter lag, niet door. Tegenover het fatalisme van het Heidendom legde men op de zelfstandigheid en vrijheid van den mensch nadruk en verzwakte zijne verdorvenheid. Het heilswerk ging van Gods zijde in de roeping op, en als de mensch zijnerzijds aan die roeping gehoor gaf, zich bekeerde en geloofde, dan ontving hij in den doop de vergeving van al zijne verledene zonden. Die doop stond van den aanvang af in het middelpunt; tusschen teeken en beteekende zaak werd geene scheiding gemaakt, over beider verband werd weinig nagedacht en geene theorie opgesteld; genoeg was het, dat de afwassching van het lichaam tegelijk was eene reiniging des harten van de kwade conscientie. De doop was het groote keerpunt, de radicale verandering, de besliste overgang uit een zondig verleden in een heilig heden; hij was in een of anderen zin de wedergeboorte zelve a).

Toen de kerk langzamerhand ophield eene zendingsgemeente te zijn, hare leden meer uit haar eigen kinderen dan uit Joden en Heidenen won en dientengevolge den kinderdoop algemeen in practijk bracht, bleef men dit nauw verband tusschen doop en wedergeboorte vasthouden, maar moest er toch belangrijke wijziging in aanbrengen. Bij hen, die volwassen tot het Christendom overkwamen, kon de eisch van voorafgaande bekeering en geloof gehandhaafd worden, maar bij de kinderen, uit Christenouders geboren, was dit

*) Zie bijv. Barnabas 6. 11. Ignatius, Eph. 19. '20. Magn. 1. 9. Smyrn. 4. Clemens, 1 Cor. 29, 58 enz.

s) Barn. 11. Clemens, 2 Cor. 6. Hermas, Mand. IV 3. Door de vergeving in den doop tot de verledene zonden te beperken, kwam men met de later bedreven zonden in groote moeilijkheid. Maar dit punt komt later ter sprake. Verg. voorloopig K. Lalce, Zonde en Doop, Theol. Tijdschr. 1909 bl. 538—544.

Sluiten