Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onmogelijk; zij werden dus gedoopt op grond, niet van hun persoonlijk geloof, maar van het geloof der kerk, in wier gemeenschap zij geboren waren. Voorts, als de doop aan volwassenen na belijdenis bediend werd, was hij een machtig keerpunt op den weg, eene afsterving van het oude en eene opstanding tot het nieuwe, geestelijke leven; maar bij kinderen trad deze markante beteekenis van den doop natuurlijk op den achtergrond, en werd de wedergeboorte, die daarin plaats had, min of meer van het verleden en de toekomst losgemaakt; ze was niet meer breuke met het oude en beginsel van het nieuwe leven, maar instorting van eene bovenatuurlijke kracht, die later bij het opwassen door de kinderen ten goede gebruikt of ten kwade misbruikt kon worden. En eindelijk kon bij die wedergeboorte meer de negatieve, of de positieve zijde in het oog worden gevat; daar kinderen n.1. niet aan dadelijke zonden schuldig staan, kan de vergeving, die in den doop geschiedt, en altijd slechts verledene zonden betreft, daarop ook geene betrekking hebben en alleen slaan op de erfzonde; maar naarmate deze erfzonde ook als schuld, of alleen als smet, of nog zwakker uitsluitend als een gemis wordt opgevat, verandert de beteekenis der vergeving in den kinderdoop en komt het zwaartepunt te liggen in de instorting van eene nieuwe, bovennatuurlijke kracht. In het Oosten werd daarom bij de wedergeboorte in den doop vooral aan het inplanten van de kiem der ontsterfelijkheid gedacht 1), en toen in het Westen de erfzonde, ofschoon eerst door Tertullianus, Cyprianus, Augustinus e. a. ernstiger beschouwd, allengs door de leer van het donum superadditum een negatief karakter aannam, verloor de regeneratio hare eigenlijke beteekenis en ging zij in de justificatio over. Dientengevolge nam de leer der wedergeboorte bij Rome deze gestalte aan: aan de volwassenen na de zeven praeparationes en aan de kinderen der geloovigen zonder eenige praeparatio hunnerzijds, dan alleen deze negatieve, dat zij geen obicem ponunt, deelt de kerk door den priester in het sacrament des doops de gratia infusa (justificans en sanctificans) mede. Deze genade bevrijdt den doopeling van de schuld en de eeuwige straf, voorzoover deze om de verledene zonden op hem rusten, en doodt iD hem de erfsmet, inzoover zij de concupiscentia beteugelt en slechts als fomes peccati laat voortbestaan. Positief bestaat ze in eene divina qualitas, in animo inhaerens, die zakelijk identisch is met het

') Gennrich, Lehre van der Wiedergeburt bl. 95. Hofmann, Symboliek. Utrecht 1861 bl. 187.

Sluiten