Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug moest gaan, waaruit ze allen konden opkomen en verklaard konden worden. Wedergeboorte en bekeering moesten dan wel, althans logisch, onderscheiden, en de eerste vóór de tweede geplaatst worden. Maar men had dit gevoelen, dat de wedergeboorte bij de kinderen vóór den doop plaats had, nauwelijks uitgesproken, of er rezen terstond weder andere bezwaren. Niemand durfde beweren, dat dit altoos en zonder uitzondering het geval was; men vergenoegde zich dus met te zeggen, dat dit in den regel alzoo plaats had. Bovendien kon men het nog met eenigen grond staande houden van die kinderen des verbonds, die in hunne prille jeugd stierven; maar de belijdenis der verkiezing deed velen reeds ten aanzien van deze vroegstervende kinderkens voorzichtig spreken. En wat de kinderen betrof, die in het leven bleven en opgroeiden, leerde de werkelijkheid dikwerf geheel anders, dan hun doop verwachten deed. Zoo zag men zich in ieder geval genoodzaakt tot de beperking, dat alleen de uitverkorene kinderen in den regel vóór hun doop werden wedergeboren. En ook dit was, met het oog op het feit, dat vele gedoopten eerst op veel later leeftijd en na een langen zondedienst tot geloof en bekeering kwamen, velen te kras; zij bepaalden zich dus tot de algemeene uitspraak, dat de wedergeboorte plaats kon hebben vóór, of in, of korter of langer tijd na den doop1). Maar dan verder nog, als de wedergeboorte

') De Gereformeerde theologeu waren hierover eenstemmig: 1° dat de weldaden van het genadeverbond in den regel door God in verband met de genademiddelen werden uitgedeeld, de wedergeboorte dus ook in het verband met het woord. 2° dat God echter niet aan de middelen gebonden was, ook een ongewonen weg bewandelen koD, en met name jonge kinderen zonder het woord wederbaren en zaligen kon. 3" dat Hij in den regel zoo te werk ging bij kinderen der geloovigen, die vóór de jaren des onderscheids door den dood werden weggenomen. 4" dat de gedoopte kinderen der geloovigen, die in het midden der gemeente leven, zoolang voor uitverkoren en wedergeboren te houden zijn, totdat uit hunne belijdenis en wandel het tegendeel blijkt. 5° dat dit echter een oordeel der liefde is, hetwelk wel regel van onze houding tegenover die kinderen moet zijn, maar niet op onfeilbaarheid aanspraak kan maken. Daarentegen was er van den aanvang af verschil over, of al de kinderen der geloovigen, voor zoover ze uitverkoren waren, reeds vóór, öf in of ook eerst na den doop werden wedergeboren. Sommigen, zooals Martyr, a Lasco, Datheen, Alting, Witsius, Yoetius, Mastricht neigden tot het eerste gevoelen. Maar de meesten lieten dit in het midden, Calvijn, Beza, Musculus, Ursinus, de Brés, Acronius, Cloppenburg, Walaeus, Maccovius, Bucanus, Turretinus, Heidegger enz.; zie het aangehaalde werk van O. Kramer. Over de meening van het doopsformulier bestaat verschil, G. Oorthuys, Het gebed vóór den doop in ons doopsformulier, Troffel en Zwaard 1907 bl. 351—374.

Geref. Dogmatiek IV. 3

Sluiten