Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats had in de prille jeugd, vóór of onder den doop, wat was zij zelve en waarin bestond hare natuur ? De meeste Gereformeerden hielden de continuiteit van het geestelijk leven vast; de wedergeboorte in de jeugd plantte dat beginsel des levens in het hart, dat voortdurend door God werd bewaard, later in daden van geloof en bekeering overging, en daarna zich voortzette in de heiligmaking. Maar eene niet onaanzienlijke groep van Anglikaansche godgeleerden ging allengs tusschen de „baptismal regeneration" en de later op geloof en bekeering volgende vernieuwing onderscheid maken, en verstond onder de eerste de instorting der geestelijke kracht, welke op later leeftijd tot geloof en bekeering in staat stelde en daarvan dus ook in haar bestand afhankelijk was1). En toen de kerk steeds meer in verval kwam en der wereld gelijkvormig werd, wisten zich velen niet anders uit de moeilijkheid te redden, dan door inwendig en uitwendig genadeverbond te scheiden en de sacramenten tot teekenen en zegelen van het laatste te verzwakken. De doop gaf en onderstelde de wedergeboorte niet, maar nam alleen in het genadeverbond op, voorzoover de mensch daardoor eene verzekering van Gods algemeene liefde en goedwilligheid ontving en er door uitgenoodigd en verplicht werd, om het Evangelie aan te nemen en zich in oprechtheid tot God te bekeeren 2). Zoo werd, evenals in het methodisme, het piëtisme, het rationalisme, de verhouding van wedergeboorte en geloof weder omgekeerd. De mensch was verplicht en had volgens het meer en meer veldwinnend gevoelen ook nog wel de zedelijke kracht, om te gelooven en zich

') Volgens Voetius, Disp. II 409 leerden eenige Engelsche theologen, Davenant, Ward e. a., dat de doop genade toebracht aan alle kinderen, wijl zij obicem ponere non possunt; maar kinderen ontvingen deze genade, bestaande in vergeving der zonden en wedergeboorte, naar hunne vatbaarheid, pro conditione parvulorum, non pro ratione adultorum; zij leidde hen dus niet onfeilbaar zeker tot de zaligheid, maar verplichtte en bekwaamde hen op later leeftijd tot geloof en bekeering. Er was dus een specifiek onderscheid tusschen de sacramental regeneration en de spiritual regeneration. In het Tractarianisme werd deze opvatting vernieuwd door Gosham, Denison, Pusey, Newman enz., verg. Rylc, Knots untied, eleventh ed. 1886 bl. 132—196. James Buchanan, The office and work of the Holy Spirit bl. 230 v. Buddensieg, in PRE' XX 46—47.

®) In den eersten tijd werd inwendig en uitwendig genadeverbond nog niet zoo duidelijk, en in elk geval niet met deze woorden, onderscheiden. Men hoopte, verkiezing en verbond te kunnen vereenigen, zag daarom in het geboren zijn der kinderen binnen den kring van het genadeverbond een presumabel bewijs van hunne verkiezing, en hield zich aan het oordeel der liefde. Maar zakelijk is de onderscheiding van den beginne af, immers reeds bij Calvijn, aanwezig, bij

Sluiten