Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te bekeeren ; het du solist onderstelde en eischte het du kannst; door dat geloof werd hij dan wedergeboren en verbeterde hij zijn leven. Ten slotte kwam het in de Aufklarung zoover, dat men den term wedergeboorte liefst vermeed; verlichting, beschaving, ontwikkeling, zedelijke opvoeding en verbetering waren veel betere woorden, en verdienden ook zakelijk verreweg de voorkeur.

441. Maar toen de Aufklarung het begrip wedergeboorte voor dat van zedelijke verbetering had ingeruild, werd het weder opgenomen door de idealistische philosophie. Q-elijk deze allerwege aan de heerschappij des verstands zich zocht te ontworstelen en met behulp der speculatieve rede in natuur en geschiedenis den dieperen zin trachtte op te sporen, zoo streefde zij er ook naar, om de verborgen idee aan het licht te brengen, welke in de Christelijke dogmata neergelegd was. Triniteit, vleeschwording, verzoening, verlossing en zoo ook het begrip der wedergeboorte keerden in het spraakgebruik van Kant en Fichte, van Schelling en Hegel, en later ook in dat van Schopenhauer en Von Hartmann terug1). Natuurlijk legde men in al die termen eene beteekenis, die verre afweek van de meening der kerk. Maar desniettemin blijft deze aansluiting aan de Chris-

Kramer t. a. p. 119. Onder de argumenten voor den kinderdoop nemen ook deze eene groote plaats in, dat de kinderen der geloovigen tot het verbond behooren, dat zij heilig, van de wereld afgezonderd zijn, dat zij gedoopt worden op het geloof der ouders of der kerk, dat het behooren tot het genadeverbond genoegzame grond voor den kinderdoop is, bij Kramer, t. a. p. 119 v. Er kwam nog bij, dat de weldaden, die de kinderen der geloovigen deelachtig waren, zeer verschillend werden opgevat en uitgedrukt. Men sprak er van , dat de kinderen behoorden tot het genadeverbond, tot de gemeente, tot het lichaam van Christus, dat zij heilig waren in voorwerpelijken of ook in onderwerpelijken zin, dat hun de genade of de belofte of de aanneming, of ook wel het recht op de genade aangeboden of geschonken werd, dat zij den Heiligen Geest, den Geest der wedergeboorte, het zaad der wedergeboorte, de hebbelijkheid des geloofs, het zaad des geloofs en der bekeering hadden of konden hebben enz., bij Kramer t. a. p. bl. 143, 161, 166, 169, 171, 172, 204, 223, 237, 255, 259, 319, 333. Toen in den strijd over de praedestinatie de onderscheiding van in- en uitwendig genadeverbond formeel werd uitgesproken, maakten velen spoedig van haar gebruik tot verdediging van den kinderdoop; zie Donteclock, Damman, Trigland, Gomarus, Maccovius, Voetius, H. Alting, e. a. bij Kramer t. a. p. bl. 250, 265, 267, 268, 270, 274, 279, 281, 324, 325, 330. In de achttiende eeuw gingen sommigen nog een stap verder •en zagen in den doop uitsluitend een sacrament van het uitwendig verbond, verg. de later volgende paragraaf over den doop.

') De verlossingsleer van al deze wijsgeeren werd reeds kort weergegeven in deel III 615 v.

Sluiten