Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een godmenschelijk leven, tot het leven in zijne hoogste, volle werkelijkheid. En als God den mensch ;ilzoo in Christus ziet, opgenomen in zijne gemeenschap en deelgenoot van zijn leven, dan spreekt Hij hem rechtvaardig 1). Sommigen sloegen hierbij zelfs eene theosophische richting in, en schreven aan de wedergeboorte eene substantiëele werking op den ganschen mensch toe. Luther had reeds gezegd, dat de reëele genieting van het vleesch en bloed van Christus in het avondmaal ook het lichaam vernieuwt en dat het water in den doop het lichaam toebereidt voor het eeuwige leven. Deze uitdrukkingen konden nog goed worden verstaan, maar later werden ze in de kringen van het piëtisme, met name door Bengel en zijn leerling Fr. Chr. Oetinger, zeer realistisch opgevat. Christus n.1. is door zijn lijden en sterven verheven tot vorst des levens, tot hoogepriester naar de wet des onvergankelijken levens, en heeft als zoodanig de macht, om door zijn bloed, dat Hij naar den hemel medenam en waarmede Hij de zijnen besprengt, aan de gevallen, vleeschelijke, psychische natuur geest, leven, heerlijkheid mede te deelen. De wedergeboorte bestaat dus daarin, dat de door de zonde bedorvene, door de dingen der wereld in beslag genomen, vleeschelijke, psychische mensch naar zijn gansche wezen, naar geest, ziel en lichaam, vergeestelijkt, vergoddelijkt, verheerlijkt wordt. Als middel doet daarbij het woord, maar vooral het sacrament dienst, want daarin is Christus zelf met zijn vleesch en bloed tegenwoordig en schept Hij in ons een geheel nieuwen mensch, niet alleen geestelijk maar ook lichamelijk; er wordt thans reeds in ons een „zarter geistlicher Leib" gevormd, die eens in volle heerlijkheid zich openbaren zal, want lichamelijkheid is het einde van Gods wegen en werken 2).

Deze gedachten leefden in de kringen van het piëtisme voort, kwamen weer naar voren in de theosophische speculatiën van Schelling, von Baader, Hamberger en drongen ook tot sommige Vermitte-

:) Verg. Martensen, Dogm. bl. 360 v. Lange, Dogm. II 921 v. 945 v. Schoeberlein, Prinzip u. Syst. d. Dogm. bl. 652, 811 enz. De nadruk valt dan meer, evenals oudtijds reeds in de Grieksche theologie, op den persoon dan op het werk van Christus, meer op zijne vleeschwording dan op zijn verzoenend sterven, meer op wat Hij is dan op wat Hij doet. Dezelfde gedachte beheerscht vele Anglikaansche theologen, verg. bijv. Ch. Gore, The incarnation of the Son of God. Bampton Lectures for the year 1891, meermalen herdrukt, London Murray 1909. Verg. deel III 420.

2) Bengel op Hebr. 12:24. Oetinger, Die Theologie aus der Idee des Lebens abgeleitet. Stuttgart 1852 bl. 284 v. Verg. Bitschl, Gesch. des Pietismus III 79 v. Gennrich, Lehre von der Wiedergeburt, bl. 186 v.

Sluiten