Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op. Het eerste is aan de kinderen der geloovigen ontleend, die niet tot de Heidenen gerekend kunnen worden en toch in hun prilste jeugd niet metterdaad gelooven en zich bekeeren kunnen. Bleven deze alle in leven, zoo zou de moeilijkheid daardoor eenigermate ondervangen kunnen worden, dat zij later de gelegenheid ontvingen, om zich te bekeeren en te gelooven. Maar dit is het geval niet; duizenden bij duizenden sterven vóór of in of korten tijd na de geboorte weg 1). En niet alleen het Christelijk gevoel, maar ook de leer der Schrift over het genadeverbond, waarin met de geloovigen zeiven ook hunne kinderen begrepen zijn, verzet er zich tegen, dat deze alle verloren zouden zijn. Indien er nu geen ingang in het koninkrijk der hemelen is dan door geloof en bekeering, dan werd men genoodzaakt, om tusschen geloof als vermogen en als daad, tusschen bekeering in passieven en in actieven zin, of met andere woorden tusschen wedergeboorte en bekeering (geloof) onderscheid te maken, en ook in de ordo salutis de eerste aan de tweede te laten voorafgaan. Er kwam hierbij nog eene andere overweging, die in dezelfde richting dreef. Zoolang de gemeente bij de eenvoudige Evangelieprediking leeft en eene zendingsgemeente blijftf rust zij in de roeping tot geloof en bekeering; zij blijft bij de waarneembare verschijnselen staan en dringt met haar bewustzijn nog niet tot den grond der verschijnselen door. Maar dat kan slechts een korten tijd duren. Het nadenken ontwaakt, niet maar het weetgierig, doch bepaaldelijk ook het religieuze nadenken; de Christelijke gemeente toch was van den beginne aan verzekerd, dat de zaligheid, die zij ontving, eene gave Gods was. Zoodra zij zich hiervan rekenschap begon te geven, en op dit punt de Schrift dieper onderzocht, kon zij bij geloof en bekeering als daden van den mensch niet blijven staan, maar moest zij antwoord geven op de vraag, wat er achter deze daden lag, of ze hun oorsprong hadden in den wil van den mensch of in de genade Gods. En ze werd hiertoe te meer gedrongen, omdat ze in en buiten de gemeente zoovelen zag opgroeien, die nimmer tot geloof en bekeering kwamen. Toen scheidden zich de wegen. Sommigen, al de volgelingen van

') Ofschoon het sterftecijfer in de laatste tientallen jaren voor alle leeftijdsgroepen en in alle beschaafde landen regelmatig daalt, bedroeg het in ons land in 1908voor de kinderen beneden één jaar nog 12,48 per honderd levend geborenen, en voor de kinderen van één tot en met vier jaar 15,40 per duizend. Verg. een studie over de kindersterfte van Mr. H. W. Methorst, in de Economist Sept. 1909, en voorts art. Sterblichkeit in de Konversationslexica van Meyer, Herder enz.

Sluiten