Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pelagius in vroeger en later tijd, hielden staande, dat de via salutis, na de roeping Gods, bij den mensch met zijne daden van geloof en bekeering begon en dat deze dus hunne laatste en diepste oorzaak hadden in des menschen vrijen wil. Maar Augustinus en de zijnen voelden zich door het getuigenis der Schrift en door hun eigen ervaring genoodzaakt, om de daden van geloof en bekeering te laten opkomen uit eene voorafgaande, inwendige, krachtdadige genade Gods, dat is met andere woorden uit de wedergeboorte. Zoo kwam dus, niet alleen bij de kinderkens, maar evenzeer bij de volwassenen, de wedergeboorte in orde vóór het geloof en de bekeering te staan.

Toch ging deze scheiding in de werkelijkheid lang zoo eenvoudig niet toe, als de tegenstelling der beginselen zou doen verwachten. Velen waren op bemiddeling bedacht en werden daartoe gedreven door een ethisch belang. Als n.1. de wedergeboorte geheel en al van geloof en bekeering werd losgemaakt, dan scheen ze alleen nog te kunnen bestaan in eene, van 's menschen bewustzijn en wil totaal onafhankelijke, magische instorting van geestelijke kracht. Vandaar dat tal van dogmatici nog heden ten dage, evenals velen in vroeger tijd, de wedergeboorte op geloof en bekeering laten volgen en daarvan min of meer afhankelijk maken. Natuurlijk komt men dan voor het probleem te staan, hoe het zalig worden nog geheel en volkomen als een werk Gods te handhaven is, indien geloof en bekeering toch tegelijk vrije daden van den mensch moeten wezen. Men kan eenige verzoening trachten te vinden, door erop te wijzen, dat de natuurlijke mensch nog ter kerk kan gaan, het woord Gods kan hooren, de Schrift kan onderzoeken; dat hij zijn best kan doen (facere, quod in se est); dat hij nog bezit eene facultas se applicandi ad gratiam of de mogelijkheid van een niet actief-wederstaan; dat hij in roeping of doop de kracht ontving (gratia actualis, vires credendi), om te kunnen gelooven, als hij wilde; of ook, dat er tusschen Goddelijke en menschelijke werkzaamheid geen tegenstelling en zelfs geen onderscheid is, wijl beide ééne en dezelfde zaak zijn, van twee zijden bezien enz.; maar het behoeft geen betoog, dat al deze voorgestelde pogingen tot verzoening ijdel zijn. Als God en mensch niet ge-, maar toch onderscheiden zijn, dan komt men toch altijd voor de vraag te staan: bij wien berust, aan het einde van alle wisselwerkingen, de finale beslissing? wie geeft ten slotte den doorslag? Indien de mensch, dan heeft in beginsel Pelagius gelijk en rust de beslissing over wat in de geschiedenis het allervoornaamste is, n.1. de eeuwige zaligheid,

Sluiten