Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijne handen. Indien echter het laatste woord aan God is en aan de almacht zijner genade, dan plaatst men zich aan de zijde van Augustinus en neemt men eene voorafgaande wedergeboorte (inwendige genade) aan, waarbij de mensch passief is. Door m. a. w. wedergeboorte na geloof en bekeering te plaatsen, ontkomt men niet aan de moeilijkheid, maar wikkelt zich in eene onoplosbare tegenstrijdigheid.

Hetzelfde is het geval, wanneer men bij de kinderen der geloovigen de afhankelijkheid der wedergeboorte van geloof en bekeering wil vasthouden. Natuurlijk gaat het dan niet aan, eene wedergeboorte in het hart der kinderen aan te nemen, die buiten alle middelen om dooiden Heiligen Geest gewrocht zou zijn ; en evenmin kan men zeggen, dat de H. Geest door het woord de kinderen der geloovigen, die nog geen oordeel des onderscheids hebben, tot geloof en bekeering beweegt, want per verbum non potest agi cum infantibus, sed tantummodo cum adultis, qui pervenerunt ad annos discretionis 1). Hierover oordeelen dan ook alle Roomschen, Lutherschen, Anabaptisten enz. gelijk. De laatsten blijven zelfs consequent tot verwerping van den kinderdoop toe, al is het dat zij toch weer in den regel de zaligheid der jongstervende kinderen aannemen en daartoe de erfzonde verzwakken. Maar Roomschen en Lutherschen hebben eene oplossing juist in den kinderdoop gezocht. Deze doop onderstelt wel niets, althans geene andere dan uitwendige voorrechten (geboorte uit Christenouders enz.), maar hij geeft veel, n.1. inlijving in Christus en in zijn lichaam. Daarmede wordt echter op bedenkelijke wijze het karakter van het sacrament veranderd; want terwijl het sacrament als teelten en zegel van het genadeverbond en van het deelgenootschap aan zijne weldaden werd ingesteld, doet hier de doop dienst, om de kinderen juist in dat verbond in te leiden en hen de weldaden daarvan deelachtig te maken. Daarmede kreeg de doop eene kracht, welke hij van zichzelf niet hebben kan, maar die er aan verleend werd door het woord en den Geest, die zich op eene geheimzinnige wijze met het doopwater verbonden; eene voorstelling, welke een veel meer magisch karakter draagt, dan die, welke men uit ethische overwegingen zocht te ontvluchten. Zelfs valt niet in te zien, waarom de doop, indien hij werkelijk de genade schenkt, niet aan kinderen van ongeloovigen bediend zou mogen worden. Zoover is men echter niet durven gaan; zelfs is van den oorspronkelijken regel, dat geloof en bekeering aan den doop dienden vooraf te gaan, bij Rome nog eene herinnering

') Gerhard, Loei Theol. 1 XX 186.

Sluiten