Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zamerhand toe, om tusschen wedergeboorte en geloof (bekeering) onderscheid te maken. In den eersten tijd grondden zij den doop der kinderen ook nog wel op bet geloof der ouders of der kerk, op bun toekomstig geloof enz. (Calvijn, Beza). Maar zij keerden biervan spoedig terug, en kwamen toen tot de eenparige belijdenis, dat de kinderen der geloovigen evengoed als dezen zeiven in het verbond der genade begrepen waren, niet eerst door en na, maar ook reeds vóór den doop, en dat de H. Geest hun evengoed als den volwassenen de genade der wedergeboorte schenken kon, want deze had evenzeer bij de volwassenen plaats zonder hun wil en vóór het geloof. Er was verschil over den tijd, waarin deze wedergeboorte in de kinderen der geloovigen plaats had. Maar hierin bestond overeenstemming, dat de H. Geest ook zonder de roeping door het

rechtvaaraigmaking, Schleiermacher op de wedergeboorte. Bij sommigen valt het zwaartepunt in het persoonlijk geloof (de bekeering, de zedelijke verandering), dat alleen geoefend kan worden door den bewusten mensch, en wordt de doop dus tot een sacrament der Berufung verzwakt, ongeveer zooals latere Gereformeerden daarin alleen een teeken en zegel zagen van het uitwendig genadeverbond. Aldus Eitschl, Herrmann, Kaftan, Kim, Haring, Cremer, Althaus, Kahler enz., waarbij sommigen dan zeer sterk den vrijen wil verdedigen, zooals Dieckmann, Wendt, Schmidt. De laatste zegt bijv.: wer das (n.1. het salvus esse) nicht will, dem ist nicht zu helfen, auch nicht vom H. Geiste, Chr. Dogm. II 431. Anderen daarentegen stellen de wedergeboorte op den voorgrond en laten deze dan plaats hebben in den doop; aldus Martensen, Beek, Rocholl, Hofmann, Thomasius, Frank, Lütgert, Hardeland, Yon Oettingen enz.; daarbij doet zich dan nog weer het verschil voor, dat de een de wedergeboorte in den doop zoo zwak opvat, dat er toch later nog eene persoonlijke wedergeboorte noodig is (Thomasius, Martensen), de ander echter in de later volgende bekeering slechts eene toeëigening wil zien van de in den doop voorafgegane wedergeboorte (Kahnis, Von Oettingen, Frank). Lütgert, Gotl.es Sohn und Gottes Geist. Leipzig 1905, drukt de tegenstelling aldus uit: Man wird nicht durch den Glauben wiedergeboren, sondern durch die Wiedergeburt glaubig. Bij Ebrard gaat de vrije, persoonlijke bekeering als subjectieve voorwaarde vooraf aan de wedergeboorte; en beiden zijn zoo onderscheiden, dat de bekeering de verandering in het bewuste geestesleven aanduidt, maar de wedergeboorte niets minder te kennen geeft dan eene geheimnisvolle, mystische Substanzmittheilung Christi aan het substantiëele centrum van den mensch, Christi. Dogm. II 308, 314. Op deze wijze tracht Ebrard het mystisch karakter der wedergeboorte te handhaven en tegelijk alle magisch element eruit te verwijderen, bl. 323 v. 332 v. De hier door Ebrard voorgestane physische opvatting van de wedergeboorte, waardoor de natuur van den mensch veranderd wordt, wortelt in de theosophie, en komt, in weerwil van hare verwerping in de Form. Conc. Sol. Deel. II 81 (bij J. T. Muller, bl. €07) bij vele Neolutheranen voor, zooals Delitzsch, Martensen, Thomasius, Höfling, Luthardt e. a. Verg. boven bl. 39, 40.

Sluiten